Middeleeuwen tot 1200

Oudheid en Middeleeuwen tot 1200

Door de doop van Clovis werd het christendom de dominante godsdienst in het Frankische rijk. Deze kerstening was een langdurig proces. Eerst werden heidense praktijken verboden, waarna christelijke gebruiken werden ingevoerd. Deze kerstening was over het algemeen nog oppervlakkig: het zich werkelijk eigen maken van het christendom was een proces waar vele generaties overheen konden gaan.
De kerstening was voor een belangrijk deel het werk van Ierse monniken. Zij kozen voor een vrijwillige ballingschap op het continent om daar het geloof te prediken. Een van de eersten was Columbanus, die in 570 in Gallië aankwam. Hij preekte in het noorden van Frankrijk, het Rijnland en in Vlaanderen.
Behalve in Maastricht zetelden er bisschoppen in Doornik en Kamerijk (Cambrai). Maar de meeste missie-activititeit werd ontwikkeld vanuit de kloosters van monniken die afkomstig waren uit Ierland en uit het zuiden van Frankrijk. Van die laatsten is Amandus een van de bekendste. Hij werd in 639 tot bisschop gewijd en wordt ‘de apostel van Vlaanderen’ genoemd. Zijn missiegebied strekte zich naar het noorden uit tot in Antwerpen en hij stichtte abdijen in onder meer Nijvel en Gent.

Romeinen en Franken

Vanaf het begin van onze jaartelling maakte het gebied ten zuiden van de Rijn deel uit van het Romeinse rijk. Ten noorden daarvan woonden Germaanse stammen, zoals de Friezen, Franken en Saksen. In de vijfde eeuw trokken de Romeinen zich terug naar het zuiden. De belangrijkste steden, Maastricht, Tongeren en Doornik, werden herhaaldelijk geplunderd door de Franken. Zij namen de macht over in de zuidelijke Nederlanden; ten noorden van de Rijn waren de Friezen dominant.

Uiteindelijk werden de Franken dominant in de Lage Landen, onder hun leiders Clovis, die zich rond 500 liet dopen, Karel Martel (714–741) en Karel de Grote (768–814). Onder deze laatste koning werden de Friezen in 785 definitief onderworpen en daarna ook de Saksen, die in het oosten van het huidige Nederland woonden.

Gallo-Romeins christendom

De grens tussen de Romeinse en Germaanse gebieden werd zwaar bewaakt om invallen van Germanen te voorkomen. Maar toch was er uitwisseling tussen de twee gebieden: steeds meer Germanen vestigden zich in het Romeinse rijk. In Gallië, het huidige Frankrijk, België en Zuid-Nederland, vermengden de twee culturen zich tot een Gallo-Romeinse cultuur.

In 313 kondigde keizer Constantijn de Grote het Edict van Milaan af waardoor er een einde kwam aan de vervolgingen van christenen in het Romeinse rijk. Aan het eind van de vierde eeuw werd het christendom staatsgodsdienst. Maar toen was het Romeinse gezag in de Nederlanden al aan het afbrokkelen. De Romeinen trokken zich terug en lieten de bewaking van de grenzen over aan Germanen die ze in dienst hadden genomen. Zij vereerden zowel Romeinse als Germaanse goden. Er zijn tempels gevonden waarin beide werden vereerd. Gegevens over het christendom uit de vierde eeuw ontbreken vrijwel.

De eerste bisschoppen

Toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse rijk, organiseerde het zich volgens het model van de Romeinse staatsinrichting. Op die manier werden de hoofdsteden van de districten waarin het rijk was verdeeld tevens de zetel van een bisschop. Tongeren was zo’n hoofdstad van een district en bisschop Servaas stichtte er een kerk waarvan de resten te vinden zijn onder de huidige Onze-Lieve-Vrouwebasiliek.

Zoals we al zagen, brokkelde het Romeinse gezag aan de grenzen gedurende de vierde eeuw af. Dit had ernstige gevolgen voor Tongeren, dat voortdurend werd geplunderd door binnenvallende Germanen. Servaas verplaatste zijn bisschopszetel daarom naar het veiliger Maastricht. Daar vinden we ook de eerste harde bewijzen van de aanwezigheid van christenen in de Lage Landen: grafstenen van rond het jaar 400 die rond de St. Servaasbasiliek zijn opgegraven.

De Sint-Servaas was echter niet de bisschopskerk van Maastricht. Dat was de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Deze was gebouwd op de plaats van een heiligdom waar Romeinse goden werden vereerd. Dat was een gebruikelijke gang van zaken: heidense heiligdommen werden in gebruik genomen als kerken. De Sint-Servaas is gebouwd op het graf van de H. Servatius. Dat was een andere manier waarop christelijke heiligdommen ontstonden: op het graf van een heilige.

Rond 700 verplaatste bisschop Hubertus de bisschopszetel van Maastricht naar Luik, nadat zijn voorganger, de H. Lambertus, was vermoord en zijn geboorteplaats Luik een bedevaartsoord was geworden.

Of het inderdaad Servatius was die bisschop was van Tongeren en Maastricht, wordt tegenwoordig betwijfeld: over zijn leven zijn alleen legenden van latere datum overgeleverd.

Van Lambertus is wat meer bekend omdat er kort na zijn dood een levensbeschrijving van hem werd vervaardigd. Hij was familie van de Frankische koningen en is waarschijnlijk het slachtoffer geworden van een vete met een andere familie die een gooi deed naar het koningschap.

In die tijd was het christendom nog steeds een voornamelijk stedelijke aangelegenheid: het platteland was nog nauwelijks gekerstend. Lambertus en zijn opvolger Hubertus trokken daarom de Ardennen in en het gebied rond Brussel, dat toen ook nog dicht bebost was, om daar het geloof te verkondigen.

Missionarissen

Sinds de Frankische koning Clovis zich rond 500 had laten dopen, was de elite in zijn rijk christelijk: zowel de oorspronkelijke Gallo-Romeinse aristocratie, als de nieuwkomers, de Frankische heersers. Maar daarmee was nog niet de gehele bevolking gekerstend. Dit is een langdurig proces, waarbij eerst de oorspronkelijke godsdienst wordt afgezworen, men zich vervolgens volgens de nieuwe normen gaat gedragen en waarbij men zich die normen tenslotte eigen maakt.

Bij de verspreiding van het christendom onder de Franken speelden Ierse monniken een grote rol: hun ideaal was hun vaderland te verlaten om elders het Evangelie te gaan verkondigen. Dat deden ze vanuit de kloosters die ze stichtten en vanuit de steden waar bisschoppen zetelden. Behalve in Tongeren en Maastricht was dat in Doornik (rond 500), Terouanne (Terwaan, vanaf 639) en Arras/Cambrai (Atrecht, Kamerijk, zesde eeuw).

Aanvankelijk waren de missionarissen in de Lage Landen ook afkomstig uit het zuiden van Frankrijk. Amandus (± 600 – ± 680), de ‘apostel van Vlaanderen’, was afkomstig uit die streken. Hij stichtte een kerk in Antwerpen en diverse kloosters, waaronder de Sint-Pieter en Sint Baafsabdijen in Gent.

De noordelijke Nederlanden

De Franken breidden hun invloed geleidelijk naar het noorden uit en daarmee kreeg ook het christendom de gelegenheid zich uit te breiden. Dit gebeurde vanuit Utrecht, een voormalig Romeins fort of castellum. Rond 630 schonk de Frankische koning Dagobert I Utrecht aan de bisschop van Keulen met de bedoeling dat deze het pas veroverde gebied in rond Utrecht tot aan de monding van de Rijn zou gaan kerstenen. Deze had enige jaren daarvoor al een kerk gesticht in Nijmegen. Maar in 650 heroverden de Friezen Utrecht zodat er van kerstening niets kwam.
De eerste aanzet kwam pas in 678 toen aartsbisschop Wilfrid van York in de gebieden van de Friezen predikte. Deze kerstening had echter geen vervolg gekregen doordat de Friezen opnieuw in oorlog raakten met de Franken. De Friezen beschouwden het christendom voortaan als iets van de Franken, waardoor ze er niets meer mee te maken wilden hebben.

Willibrord

Toch inspireerde aartsbisschop Wilfrid veel van zijn leerlingen. Een van hen was Willibrord. Hij kwam in 690 naar het land van de Franken. De traditie wil dat hij in het gezelschap was van twaalf metgezellen, maar dat is meer een verwijzing naar de twaalf apostelen. Toch moet hij een groot aantal medewerkers hebben gehad, waaronder Suidbert, Plechelmus, Wiro en Odger die traditioneel tot de twaalf worden gerekend.

Willibrord begreep dat hij niets kon uitrichten zonder de steun van de Frankische machthebbers. Daarom stelde hij zich onder bescherming van Pepijn van Herstal, die als hofmeier de feitelijke macht in handen had en kreeg van hem de taak om de gebieden die hij op de Friezen had veroverd te kerstenen. In 695 kregen de Franken opnieuw Utrecht in handen en werd de vesting het centrum van de verspreiding van het christendom in de noordelijke Nederlanden. Dit werd in datzelfde jaar bevestigd door paus Sergius die hem tot bisschop der Friezen wijdde. Hij zou aan het begin staan van een lange rij Angelsaksische monniken die in Noord-West Europa het Evangelie kwamen verkondigen.

De prediking van Willibrord en de andere missionarissen werd begeleid door uiterlijke tekens die de superioriteit van de christelijke God moesten onderstrepen: fraaie liturgische gewaden en kostbaar vaatwerk. De missionarissen toonden de onmacht aan van de heidense goden door hun heiligdommen te vernielen: er gebeurde niets, de christelijke God was sterker.
Maar zonder de militaire steun van de Franken konden de missionarissen niets uitrichten. In 715 veroverden de Friezen Utrecht en moest Willibrord vluchten naar zijn klooster in Echternach. Vier jaar later kon hij weer terugkeren: alle kerken waren verwoest en de heidense heiligdommen weer in gebruik genomen. Bij zijn dood in 739 was de positie van het christendom onveranderd precair: Willibrord was belangrijk als eerste missionaris van de noordelijke Nederlanden, maar met de kerstening had hij nog slechts een eerste begin kunnen maken. Dat doet niets af aan zijn grote prestaties, maar illustreert dat de kerstening een proces van generaties was. In de tijd van Willebrord waren de missionarissen niet veel verder gekomen dan Noord-Holland, het gebied rond Utrecht en Gelderland.

Bonifatius

Net als Willibrord was Bonifatius afkomstig uit Engeland. In 716 kwam hij naar Utrecht, hoewel dat toen in handen van de Friezen was. Van de Friese koning Radbod kreeg hij toestemming om te preken. Zijn verkondiging had geen resultaat en al spoedig was hij terug in Engeland. In 718 vertrok hij opnieuw naar het vasteland om te gaan preken in het gebied van het huidige Duitsland. Van 719 tot 721 werkte hij in Utrecht samen met Willibrord, maar hij sloeg het aanbod om hem op te volgen af en vertrok weer naar Duitsland. Hier organiseerde hij de kerk in bisdommen en zag erop toe dat de missionarissen in het gebied zich aan de kerkelijke regels hielden.
In 753 besloot Bonifatius naar Utrecht en de Friezen terug te keren; in 754 werd hij bij Dokkum vermoord. De hele katholieke wereld was geschokt door deze moord en de Frankische koning ondernam een strafexpeditie tegen de Friezen en legde extra belastingen op die ten goede kwamen aan de kerk van Utrecht.

Groningen, Drente en Overijssel

Nog waren de Nederlanden niet helemaal gekerstend: in het oosten woonden namelijk geen Friezen, maar Saksen. Ook in hun gebieden waren het de Angelsaksische monniken die het bekeringswerk deden, zoals Willehad en Lebuïnus († 773). Deze laatste werkte vanuit Deventer en waagde zich diep in Saksisch gebied, tot in Oldenzaal en Ootmarsum. De kerken die hij stichtte werden echter door de Saksen verwoest.
Uiteindelijk was het Liudger (743–809) die blijvend succes had. Hij was een Fries: de eerste missionaris van inheemse afkomst. In 785 had de Frankische koning Karel de Grote de Saksen definitief verslagen en had hun koning zich laten dopen. Hij werd in 805 bisschop van Münster.
Nu kon het christendom langzaam werkelijk gaan doordringen onder de bewoners van de Lage Landen. Een langzaam proces, want in 1112 schreef de abt van Rolduc: “Immers tot dan toe was het Gods Woord zeldzaam en kostbaar en nu begon het als het ware voor het eerst in deze streken te ontkiemen en vrucht te dragen.”