Industrie in de Belcrum

Uit: Jan Brouwers en Henk Muntjewerff, Industrieel erfgoed in ViaBreda. Een factor van belang. Breda 2005.

Inleiding

Van huisnijverheid naar industrie

In 1886 verhuisde de familie Smits hun brouwerij De Drie Hoefijzers van de Boschstraat naar een terrein aan de tegenwoordige Ceresstraat. Dit terrein lag toen nog buiten de stad en er was nog voldoende ruimte. Daar had de brouwerij grote behoefte aan. De nieuwe bieren die in de mode kwamen, zoals pilsener, konden namelijk alleen op industriële schaal worden gebrouwen. Een brouwer die aan de traditionele kleinschalige bedrijfsvoering vasthield, moest vroeg of laat zijn zaak sluiten. Zo’n bedrijf kon de concurrentie niet meer aan.

Het oorspronkelijke brouwhuis van De Drie Hoefijzers bestaat nog steeds. Het markeert de overgang in Breda van kleinschalige huisnijverheid naar productie op industriële schaal. Al eerder, in 1872, was bijvoorbeeld de suikerfabriek gebouwd. Voor dergelijke bedrijven was geen plaats in de stad zelf en zo ontstonden aan de rand van de stad de eerste industrieterreinen. Deze uitbreiding vond plaats zonder een tevoren vastgesteld plan. Industrieën vestigden zich daar waar voldoende ruimte was en waar goede spoor- of waterwegen voorhanden waren. Dat was het geval ten noorden van Breda, op het grondgebied dat toen nog bij Teteringen en Princenhage hoorde. De gemeente Breda was in die tijd niet veel groter dan het gebied binnen de singels en de vestingwerken rond de stad belemmerden de uitbreiding.

Maar in 1868 verloor Breda zijn functie als vesting en twee jaar later werd begonnen met het slopen van de vestingwerken rond de stad. In 1874 kwamen de terreinen rond de Willemstraat beschikbaar. Breda leek te kunnen gaan profiteren van de industrialisatie, maar het gemeentebestuur maakte de vestiging van fabrieken juist onmogelijk. Tot grote teleurstelling van de Kamer van Koophandel bestemde de gemeente dit gebied voor woningbouw en verbood uitdrukkelijk het opstellen van stoomwerktuigen. Net als de besturen van steden als Haarlem, Utrecht en Arnhem verwachtten de Bredase politici dat de bouw van fraaie huizen mensen zou aantrekken die veel te besteden hadden. Dat was gunstig voor de middenstand en dus ook voor de stad, zo was de redenering.

Het idee dat de middenstand de motor van de Bredase economie kon zijn, aangedreven door de koopkracht van rijke burgers die werden aangetrokken door fraaie woonhuizen, bleek niet houdbaar. Maar het duurde lang voordat dit besef gevolgen had voor het industriebeleid van de gemeente. Pas in 1917 constateerde het gemeentebestuur dat Breda veel te weinig heeft gedaan aan de ontwikkeling van de industrie: “Het wordt thans niet meer gehoord, maar 15 à 20 jaar geleden bestond hier ter stede een streven, om van Breda te maken wat men toen noemde een luxestad.” Toch blijkt uit de cijfers dat de industriële werkgelegenheid aanzienlijk was toegenomen. Het aantal werknemers in nijverheid en industrie steeg tussen 1899 en 1917 van 3563 naar 5209. Maar dit was geen gevolg van een bewuste politiek. Bedrijven hadden geprofiteerd van de mogelijkheid zich te vestigen op het grondgebied van Teteringen en Princenhage. Deze laatste gemeente bood zelfs meer werkgelegenheid in de industrie dan Bergen op Zoom, Roosendaal en Breda. De groei van de industrie had zich onafhankelijk van het beleid van gemeentebesturen voltrokken. Dat ging nu veranderen. Breda nam voortaan zelf het initiatief bij het ontwikkelen van industriegebieden

De Belcrumpolder

Het meest geschikte gebied voor de vestiging van nieuwe industrieën was de Belcrumpolder. Dit gebied lag nog als een groene buffer tussen de industriegebieden die langs de Mark en de Nijverheidssingel en rond de Teteringsedijk waren ontstaan. De polder was eigendom van het rijk omdat het vroeger een bezit was geweest van de Nassaus die er een jachtterrein hadden. Op een heuvel die de Konijnenberg werd genoemd had Filips Willem van Oranje, een zoon van Willem van Oranje, in 1618 een ‘speelhuis’ laten bouwen. Het was een achtkantig gebouw van drie verdiepingen hoog. Daar kon de familie zich na de jacht op andere manieren vermaken. Eromheen lag een ‘sterrebos’: vanuit het speelhuis liepen dreven in een stervorm alle richtingen uit. Er stond een hek rond het terrein zodat het wild niet kon ontsnappen. Tijdens de belegeringen van 1625 en 1637 werd het hele bos gekapt. Het werd opnieuw aangeplant, maar Willem III, die in 1672 stadhouder werd, en zijn nazaten hadden er geen belangstelling meer voor. Het speelhuis werd uiteindelijk gesloopt en de grond werd verpacht aan landbouwers. Van de lange dreven was alleen de huidige Speelhuislaan nog over. Als het gebied opgehoogd zou zijn en van een nieuwe haven en spoorwegemplacement was voorzien, zou het een ideale locatie zijn voor industrie en zou de gemeente de eigen bedrijven – de gasfabriek, de reinigingsdienst en het nog op te richten gemeentelijk slachthuis – die met een nijpend gebrek aan ruimte te kampen hadden, daar onder kunnen brengen. Zulke bedrijven hoorden trouwens niet meer in een stad thuis, zeker niet in een stad als Breda “met veel rijksinrichtingen zoals de KMA, het militair hospitaal, kazernes, het gerechtsgebouw en de gevangenis”.

Er was echter een probleem: de Belcrumpolder lag niet in de gemeente Breda, maar in Teteringen. Al sinds het eind van de negentiende eeuw probeerde Breda de regering ertoe te bewegen om uitbreiding van het grondgebied toe te staan, maar in 1917 was er nog steeds geen zicht op een gunstige beslissing. Daarom besloot Breda de polder van het rijk te kopen. De koop vond in 1917 plaats voor ƒ243.000,-.

De Belcrum: het financiële graf van Breda?

Zo was de gemeente Breda eigenaar geworden van ongeveer 70 ha grond in een naburige gemeente. Een eigenaardige oplossing die al vaker werd toegepast. Ook de Baronielaan bijvoorbeeld, die grotendeels op het gebied van Ginneken en Bavel lag, was eigendom van de gemeente Breda. Er werd al zo lang gesproken over grenswijzigingen, dat Breda zijn toevlucht moest zoeken tot dit soort omwegen om aan de nodige ruimte te komen. En met de aankoop van de Belcrumpolder was het grondgebied waarover de gemeente kon beschikken met een kwart vermeerderd. Een dergelijke grote uitbreiding vroeg om bijzondere maatregelen: we kunnen het tegenover het nageslacht niet verantwoorden als er geen goed stedenbouwkundig plan voor de Belcrumpolder zou worden gemaakt, zo verwoordde het gemeenteraadslid CharlesStulemeijer het standpunt van de raad. De Roermondse architect J.Th.J. Cuypers kreeg de opdracht een exploitatieplan te maken voor de polder en met name voor “de noodige gemeentelijke inrichtingen voor havens, met los- en laadplaatsen, gasfabriek, reinigingsdienst, abattoir en woningen”. Daarbij moest hij rekening houden met het feit dat ook Teteringen zeggenschap over de grond had en bovendien hadden de spoorwegen plannen om hun emplacement uit te breiden. Zolang deze plannen niet precies bekend waren, kon Cuypers zijn ontwerp niet voltooien. Bovendien vond hij dat de ontwikkeling van de Belcrumpolder niet los kon worden gemaakt van de ontwikkeling van de agglomeratie Breda als geheel. Hij gaf daarom zijn opdracht terug met de boodschap dat een plan voor de Belcrum alleen mogelijk was in een ruimer perspectief. Zijn Bredase collega W.F.J.H. Bouman maakte op eigen initiatief een dergelijk plan. Hij zag Breda als een stad die “door zijne bijzondere geographische ligging” voorbestemd was om mettertijd een plaats van “groote internationale betekenis te worden”. Maar ook dit plan werd niet uitgevoerd en het zou nog tot 1929 duren voordat Breda met het ‘plan-Schaap’ een alomvattend plan voor de uitbreiding van de stad zou krijgen.

Maar zo lang kon de Belcrumpolder niet wachten en steeds meer gemeenteraadsleden werden nerveus. In 1925 bijvoorbeeld, betaalde de gemeente aan aflossing ƒ21.250,- en aan rente ƒ15,937,50. Daartegenover stond een opbrengst uit de verpachting van landbouwgrond van ƒ906,- en er was nog geen vierkante meter grond verkocht. Het was duidelijk dat niet gewacht kon worden op het uitbreidingsplan voor Breda als geheel en daarom lieten b. en w. de directeur van gemeentewerken een exploitatieplan voor de Belcrumpolder opstellen.

Het plan had tot doel zo veel mogelijk ruimte te scheppen voor industrie en daarnaast voor middenstands- en arbeiderswoningen. Voor de industrie was de aanleg van een haven onontbeerlijk. Bijkomend voordeel was dat grond die vrijkwam door het graven van de haven gebruikt kon worden voor ophoging van de polder. De Speelhuislaan was voorzien als hoofdverkeersweg met de overige straten hieraan evenwijdig of loodrecht hierop. Verder was er een terrein voor het slachthuis bepaald met daar tegenover ruimte voor een eventuele veemarkt. De woonwijk werd in het zuid-oosten gepland, in verband met de heersende zuid-westenwinden. Zo moest de overlast van de industrie beperkt blijven. In de woonwijk was plaats voor een kerk, school, postkantoor en andere voorzieningen en ook een speelterrein voor kinderen. De doorgaande wegen waren breed om de aanleg van een trambaan mogelijk te maken.

In zijn advies over het industrieterrein schreef de directeur van gemeentewerken dat het hele industrieterrein in een keer bouwrijp gemaakt hoefde te worden, maar dat begonnen kon worden met het meest waardevolle gedeelte en het geleidelijk aan in oostelijke en westelijke richting uit te breiden. Hij verwachtte dat het hele terrein rond 1935 uitverkocht zou zijn en een batig saldo zou opleveren van ƒ200.000,-.

Dat vond een aantal raadsleden veel te optimistisch. Het debat over het plan vond plaats in 1923. Het ging toen erg slecht met de economie en de industrie vertoonde geen enkele groei. Was er eigenlijk wel vraag naar industrieterreinen? Konden er niet beter sportterreinen worden aangelegd, waaraan zo’n grote behoefte was, net als aan betaalbare woningen: “een groot deel van de Bredase bevolking woont in krotten en spelonken”. Het graven van de haven en het bouwrijp maken van de grond langs de Terheydenseweg zouden ƒ400.000 gaan kosten. Dit kwam bovenop de ƒ273.000,- die de aankoop de gemeente al had gekost. De felste tegenstanders waren de twee leden van de fractie Schaepman. De Bredase katholieken waren in die jaren verdeeld in de kiesvereniging ‘Recht en Orde’, die de grootste fractie binnen de gemeenteraad vormde en een fractie, genoemd naar de in 1903 overleden katholieke politicus Herman Schaepman, bestaande uit A.W. Oostvogels en H.J.H. Hornix. De kritische opmerkingen van Oostvogels werden niet door de andere fracties ondersteund en leidden slechts tot irritatie bij burgemeester Van Sonsbeeck. Het was de laatste vergadering van de zittingsperiode van de gemeenteraad en bij de voorafgaande verkiezingen was Oostvogels niet herkozen. De burgemeester kon het niet laten op te merken dat Oostvogels “zijn zwanenzang gebruikt om een dergelijk diepgaand rapport met een paar woorden af te maken”. Van Sonsbeeck kon dat doen omdat alle andere fracties achter het college van b. en w. stonden: uiteindelijk stemden alleen Oostvogels en Hornix tegen, die opmerkte dat als de eerste spade in de grond ging, die zou worden gestoken “in het graf, waarin het financieel welzijn van Breda begraven wordt”.

In 1926 vroegen b. en w. opnieuw een krediet, nu van ƒ210.000,- voor de ophoging van terreinen, voor bestrating, riolering en aanleg van wegen. De raad kon niets anders doen dan instemmen met dit verzoek, omdat de grond anders nooit verkocht zou worden. Maar opnieuw zag een deel van de raad met klamme handen aan hoe er weer een voor die tijd aanzienlijk bedrag in de polder werd gepompt, terwijl de potentiële kopers nog niet bepaald in de rij stonden. Er was nog steeds geen exploitatiebegroting en niemand wist hoeveel er voor de grond gevraagd kon worden. Er was nog geen gemeentelijk grondbedrijf en de onderhandelingen over de grondprijs werden gevoerd door de directeur van openbare werken. Was de gemeentelijke organisatie wel berekend op deze taken? Breda leek zich te hebben vertild aan de Belcrumpolder.

Eindelijk: bedrijven in de Belcrumpolder

De veiling

Maar in 1926 was het tij voor de Belcrumpolder al aan het keren. De R.K. Baroniesche Tuinbouwvereeniging had in 1925 een stuk grond gekocht om er een groenteveiling te bouwen. Dat gebeurde voor het naar verhouding geringe bedrag van ƒ4 per m2. Opnieuw een reden voor de kritische Schaepman-fractie om tegen te stemmen. Maar het bleek een verantwoorde investering: de komst van de veiling trok direct handelaren in groente en fruit en conservenfabriejes aan. Al in datzelfde jaar had de conservenfabriek Klavers-Jansen, tot dan toe gevestigd aan de Nieuwe Huizen, gevraagd een stuk grond in de Belcrumpolder te kunnen kopen. Tot verbazing van het bedrijf bleef een antwoord lang uit, ook al waren er al reclameborden geplaatst waarop bedrijven op de mogelijkheid tot aankoop van grond in de Belcrumpolder werd aangeprezen. Het college wilde echter wachten tot er zekerheid was over de komst van de veiling. Dat zou het mogelijk maken een hogere prijs te vragen voor de grond en die gok pakte goed uit.

Een tweede belangrijke verkoop betrof een perceel voor de ijzergieterij Touw. Deze was toen nog gevestigd aan de Beekstraat en veroorzaakte veel overlast voor de omwonenden. Touw wilde graag verhuizen naar het nieuwe industriegebied en in februari 1925 waren daarover onderhandelingen gestart met de gemeente die uiteindelijk leidden tot een verkoopprijs van ƒ2,50 per m2. Dit was dus nog minder dan de ƒ4,- die de veiling had betaald. Opnieuw kwamen er bezwaren uit de gemeenteraad. Het onafhankelijke raadslid P. Haalman wees er nog maar eens op dat er nog steeds geen kader was voor de exploitatie van de Belcrumpolder. Na de in hun ogen ‘noodlottige’ verkoop aan de veiling, was de prijs van de grond opnieuw omlaag gegaan. En dat terwijl aan de Teteringsedijk, waar geen aansluitingen op spoor en waterwegen zijn, ƒ6,- per m2 betaald werd. De verantwoordelijke wethouder, H.J.W. Pelster, bracht hiertegen in dat niet alleen de opbrengst van belang was. Ook het verplaatsen van een bedrijf uit een woonwijk moest in de berekening betrokken worden. De meerderheid van de raad was het eens met dit standpunt waaruit bleek dat men niet alleen naar een maximale opbrengst wilde streven. Haalman kreeg alleen steun van de groep-Schaepman en van een van de drie leden van de sociaal-democratische fractie.

Het was even wennen voor de raad maar Breda leerde in die tijd hoe industrieterreinen gebruikt kunnen worden om milieuproblemen in de stad op te lossen en zelfs om bedrijven te redden. Dat bleek toen de ijzergieterij Touw in 1933 in acute financiële problemen terecht kwam. De problemen waren van tijdelijke aard en konden opgelost worden met een krediet van de bank. Maar toen bleek dat er een fout was gemaakt bij de overdracht van de grond aan Touw. De gemeente had de grond verkocht na een ingewikkelde grondruil waarbij ook de spoorwegen betrokken waren. Deze hadden verzuimd om bij het kadaster te melden dat ze geen eigenaar meer waren. Het terrein stond dus niet op naam van Touw. De bank accepteerde daarom de grond en gebouwen niet als onderpand en verstrekte geen lening. Touw had niet eens geld in kas om aan het eind van de week de lonen uit te betalen en stond plotseling aan de rand van een faillissement. Het bedrijf wendde zich daarop tot de gemeente bij wie Touw een waarborgsom van ƒ7.500,- had gestort toen de koopovereenkomst was gesloten. Die waarborg kreeg het bedrijf nu terug en daarmee konden de salarissen worden uitbetaald. Zo redde de gemeente het bedrijf. De IJzergieterij Touw zou tot 1983 in de Belcrumpolder gevestigd blijven en vooral in de laatste jaren van zijn bestaan bezorgde het de omgeving veel overlast.

Het slachthuis en de veemarkt

Een bedrijf dat, zij het in mindere mate dan de veiling, ook bedrijvigheid aantrok was het slachthuis. De Vleeskeuringswetdie in die tijd van kracht werd, bond het slachten van vee aan strengere eisen. In de praktijk zou dit betekenen dat de slagers niet meer in hun eigen bedrijf zouden slachten, maar in een openbaar slachthuis dat aan alle eisen voldeed. De Belcrumpolder bood hiervoor voldoende ruimte.

Dat gold ook voor de veemarkt. Veeteelt en veehandel in de omgeving van Breda groeiden en er was behoefte aan een centrale plaats waar in vee gehandeld kon worden. Ook nu weer schrok de raad van de hoogte van het bedrag dat de gemeente hierin moest investeren. Maar burgemeester Van Sonsbeeck vond het risico verantwoord. Zoals steeds verdedigde hij het doen van investeringen en het nemen van risico’s door het stadsbestuur, die hij in het belang van de stad achtte: “Zekerheid van slagen heeft men niet, maar de ontwikkeling van de stad eischt weleens een koene daad.” Van Sonsbeeck kreeg gelijk. In 1926 vond het langverwachte herstel van de economie plaats. Breda had op dat moment voldoende grond voor de industrie beschikbaar, die gunstig gelegen was aan water- en spoorwegen. Het wegvervoer speelde in die tijd nog een ondergeschikte rol. De stad ging de concurrentie aan met steden als Tilburg en ’s-Hertogenbosch en werd steeds actiever bij het aantrekken van nieuwe industrieën. Het nieuw opgerichte Grondbedrijf wist de verkoop in goede banen te leiden. Zo nodig werden bedrijven over de streep getrokken met gunstige voorwaarden. In bepaalde gevallen ging de gemeente er bijvoorbeeld toe over om grond in erfpacht uit te geven, waardoor een bedrijf niet ineens het hele aankoopbedrag voor de grond hoefde op te brengen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1937 toen de Tilburgse machinefabriek Schuurink plannen had om naar Breda te verhuizen. “Het is van belang dat er zich in Breda klein-industrie vestigt”, zo motiveerden b. en w. hun voorstel om de grond bij wijze van uitzondering in erfpacht te geven.

Ir. Hornix en het beeld van de Belcrumpolder

De woonwijk Belcurm is een mooi voorbeeld van woningbouw uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Er was vanaf het begin veel aandacht geweest voor de stedenbouwkundige kwaliteit van deze wijk. De gemeenteraad zag erop toe dat er voldoende speelruimte voor kinderen zou zijn en als een nieuwe tekening aangaf dat een stukje groen was verdwenen, dan leidde dat onmiddellijk tot opmerkingen in de raad. Maar als het om industriegrond ging, dan was de grote vraag of de gemeente wel genoeg voor de grond vroeg. In het algemeen is de aandacht voor het planmatig aanleggen van industrieterreinen van recente datum. Pas de laatste jaren worden bedrijventerreinen zoals Hoogeind planmatig aangelegd.

In de jaren dat de eerste gebouwen in de Belcrumpolder verrezen, moesten fabrieken en andere bedrijfsgebouwen weliswaar aan bepaalde eisen van welstand voldoen, maar veel beperkingen waren er niet. Dat kon ook niet, want een hal voor een machinefabriek of een koelinstallatie hebben nu eenmaal een zeer specifieke vorm. De meeste aandacht ging uit naar de bebouwing landgs de Belcrumweg. Deze verbindingsweg tussen het centrum en de woonwijk zag er niet erg vriendelijk uit. De gemeente probeerde hier iets aan te doen door bedrijven te verplichten er winkels met bovenwoningen te bouwen, maar dat deed de verkoopbaarheid van de percelen geen goed. Een bijzonder compromis werd gevonden toen de Compagnie Generale d’Electricité er in 1948 een stuk grond kocht. “Wat de bouw betreft moge worden gevraagd, of het U mogelijk zou zijn aan de frontzijde des avonds enige levendigheid te geven b.v. door een verlichte showroom of etalage of iets dergelijks, zodanig, dat het er achtergelegen Belcrumkwartier op enigermate aangename wijze met het stadscentrum wordt verbonden.”

Iemand die verder wilde gaan met de stedebouwkundige ontwikkeling van de Belcrumpolder was ir. P.A.H. Hornix, directeur van Openbare Werken van 1930 tot 1950 – niet te verwarren met het eerder genoemde gemeenteraadslid met dezelfde naam. Directeur Hornix, die zich graag ‘stadsbouwmeester’ noemde, ontwierp de markante watertoren aan de Speelhuislaan. Niet alleen aan het ontwerp van de toren zelf besteedde hij veel aandacht. Het gebouw kreeg een klein parkje en een vijver. Bovendien hield hij rekening met de skyline van de stad: “De plaats van den watertoren was (…), mede rekening houdende met de plaats van verschillende torens in de nabijheid, zoodanig gekozen, dat het silhouet van den toren geen afbreuk aan het algeheele silhouet van de stad zal doen”. Om die reden had hij de toren bij de kruising tussen de Crogtdijk en de Terheijdenseweg willen laten bouwen. Zo zou een driehoek zijn ontstaan met twee andere markante punten in de Belcrumpolder: de Christus Koningkerk en het Slachthuis. Maar de grond langs de Speelhuislaan bleek beter geschikt om de zware toren te dragen. Toch bleef Hornix aandringen op nader onderzoek om te zien of de bouw aan de Crogtdijk toch mogelijk was. Dit tot ergernis van de directeur van het Waterleidingbedrijf, die voor vertraging bij de bouw vreesde waardoor de watervoorziening van het snel groeiende Breda in gevaar zou kunnen komen.

Het is duidelijk dat de toren uiteindelijk aan de Speelhuislaan kwam te staan. Maar ook daar bleef Hornix zijn toren als stedenbouwkundig object verdedigen. Dat bleek toen aannemer W. Rasenberg in 1934 een terrein in de buurt van de toren wilde kopen. Hornix, die als directeur Openbare Werken ook het enkele jaren daarvoor opgerichte Grondbedrijf onder zich had, voerde namens de gemeente de onderhandelingen met Rasenberg. Hij legde het college van b. en w. een concept-overeenkomst voor, waarin een strook op het perceel dat de aannemer op het oog had voor een lagere prijs werd verkocht. Daar mocht namelijk geen gebouw worden neergezet, maar er moest een tuintje worden aangelegd om het zicht op de watertoren niet te ontnemen. Toen wethouder Van Mierlo het stuk onder ogen kreeg, was hij verbaasd: “Is het het plan om alles wat de toren in den weg staat open te houden? Dit bespreken in B&W”. Dat bleek inderdaad niet de bedoeling en Hornix kreeg de opdracht opnieuw met Rasenberg te gaan onderhandelen en nu het hele beoogde terrein voor bebouwing aan te bieden. De verbaasde Rasenberg ging snel akkoord; hij had het maar vreemd gevonden dat de gemeente wilde dat hij op zijn terrein ging tuinieren. In de nieuwe concept-overeenkomst die Hornix aan de wethouder voorlegde, was de strook die de zichtlijn moest vrijhouden verdwenen. Maar de directeur Openbare Werken kon het niet laten op te merken: “Ik betreur dat door den verkoop van dit perceel, hetwelk nu vermoedelijk geheel bebouwd zal worden, het doorzicht van den Belcrumweg op den Watertoren grootendeels wordt afgesneden.” Een ongehoorde opmerking voor een ambtenaar die het beleid van b. en w. moest uitvoeren. Van Mierlo voorzag de passage in het advies van drie nijdige strepen en een opmerking die hij later weer onleesbaar heeft gemaakt. Blijkbaar had hij in zijn woede een term opgeschreven die hij bij nader inzien minder passend achtte.Hornix kreeg dus zijn zin niet.Desondanks is de watertoren een markant punt in de buurt gebleven.

De industrie verdwijnt

De Belcrumpolder was de eerste belangrijke uitbreiding van Breda, waarbij de gemeente actief voorwaarden ging scheppen voor de komst van industrie naar de stad. Het was, rekening houden met de toenmalige omvang van de stad een ongekend forse uitbreiding, buiten het bestaande bebouwde kom. Vooral na de grootschalige uitbreiding van de stad in de jaren 1960, werd de Belcrumpolder van een buitenwijk haast een deel van het centrum. De veiling, de veemarkt en het slachthuis verdwenen, net als veel van de industrie die er zich in de eerste helft van de twintigste eeuw had gevestigd. Gebleven zijn de twee grote industri‘le complexen van de suikerfabriek en de brouwerij, die het gebied steeds hebben geflankeerd. Hun industriële functie hebben overigens grotendeels verloren.

Nu wacht het gebied een hele nieuwe ontwikkeling. De industrie kwam er, omdat spoor en water goede verbindingen garandeerden. Spoor en water zijn er nog steeds, maar hebben een nu een andere functie. Het goederenvervoer per trein is voor Breda veel minder belangrijk geworden. Nu is het personenvervoer hoofdzaak en moet de spoorzone een centrum van dienstverlening en cultuur worden. En het water heeft nog steeds een economische functie: het maakt het wonen aantrekkelijk. Zo gaat een industriegebied veranderen in een gebied voor wonen, recreëren en zakelijke dienstverlening. Tijdens een debat over de ontwikkelingsvisie 2020 verklaarde een wetenschapper dat Breda van industrie- in een dienstenstad moet veranderen: “Vrije tijd moet een plek krijgen in de stad, dan komt de koopkracht vanzelf. Vrije tijd is een vliegwiel dat zichzelf in stand houdt”. Een vergelijking die niet van veel technisch inzicht getuigt, maar daar gaat het niet om. Breda is geen industriestad meer. Het industriële tijdperk heeft nauwelijks anderhalve eeuw geduurd.

Wat herinnert er nog aan dat industriële verleden?

Bier en suikerwaren

De Suikerfabriek: icoon van de suikerindustrie

In 1871 stond de Bredase hoedenfabrikant J.F. Segers & zoon aan de wieg van een nieuwe industrie te Breda-Princenhage: de Bredasche Beetwortelsuikerfabriek, een commanditaire vennootschap onder firma Van Aken, Segers & Cie. Het startkapitaal bedroeg ƒ215.000,-. Samen met J.A. van Aken, gemeenteraadslid van Breda, lid van de Provinciale Staten en voormalig uitbater van de Bredase bierbrouwerij Het Wit Anker, stichtte Segers de 28ste suikerfabriek van Nederland. De vergunning voor de fabriek aan het trekpad langs de Mark werd in februari 1872 afgegeven. Als enige in Nederland bestelde Segers voor de suikerfabriek de technische installatie met diffusiebatterij in Duitsland. Daar kwamen ook de stoomketels vandaan. Bovendien had de fabriek al in 1873 een ‘chemiker’ aangesteld, die de beschikking kreeg over een eigen laboratorium.

Met deze nieuwe fabriek namen de in het suikervak onervaren industriëlen – de een was immers hoedenmaker en de ander bierbrouwer – een groot risico. Zo hadden ze met verschillende kinderziektes af te rekenen, waardoor tijdens de bietencampagne van 1872 de suikerproduktie nauwelijks van de grond kwam. De verliezen bleven oplopen, zodat de vennoten in 1874 het wijze besluit namen de suikerfabriek openbaar te verkopen. Voor ƒ174.000,- werd de Belgische bietsuikerfabrikant Felix Wittouck de nieuwe eigenaar. Hij begon direct aan een omvangrijke vervangingsoperatie, zodat al in 1875 van de oude installaties weinig meer over was. De naam Wittouck zou voor altijd aan de Bredase suikerfabriek verbonden blijven, totdat de fabriek in handen kwam van de CSM.

In het najaar van 1965 sloot de CSM de Wester suikerfabriek in Amsterdam. De productie van kristalsuiker en bruine basterdsuiker werd overgeheveld naar de fabriek in Breda. Hiervoor werden grote investeringen gedaan. Het terrein werd uitgebreid met een perceel aan de Markkade, waar tot 1955 de tweede fabriek van de Kwatta gevestigd was geweest. Het enorme gebouw leende zich aanvankelijk goed voor verhuur aan kleine bedrijven, maar omdat de gemeente Breda, die het gekocht had, te weinig aan onderhoud deed, waren de meeste huurders al snel vertrokken. De CSM kocht het terrein om er de grote silo te bouwen die nog steeds het meest in het oog springt van alle gebouwen in de buurt. De bouw van de silo, in de jaren 1967-1968, had te maken met de nieuwe manier waarop de suiker de consument bereikte. Tot dan toe was de suiker altijd verpakt geweest in zakken van 50 kg. De consument kocht zijn suiker bij de kruidenier die het product los verkocht. In de jaren zestig werd de verkoop van suiker in kleinverpakking – de pakken van 1 kg en de bekende suikerzakjes – steeds belangrijker. De kleinverpakking maakte het noodzakelijk de witte suiker los in bulk op te slaan en hiervoor waren speciale silo’s nodig. In Duitsland had men hiermee al ervaring en daarom zijn alle suikersilo’s van de CSM volgens een standaardmodel gebouwd door Lucks + Co uit Braunschweig.

De Bredase silo heeft een voet van 3 meter hoog, bestaat uit drie betonnen compartimenten en heeft een dak met staalconstructie. Dit alles is niet alleen nodig om het gewicht van de suiker te kunnen dragen, maar vooral om een explosie te voorkomen of op te vangen. Door de wrijving van de enorme hoeveelheid suikerkristallen kan namelijk brand of een stofexplosie ontstaan. De silo zelf is 45 m hoog en heeft een diameter van 34 m, geschikt om 10.000 ton suiker te bevatten. Met behulp van een elevatortoren wordt de suiker boven in de silo gestort.

De komst van de suikersilo leidde tot een automatisering van het interne suikertransport en vervolgens tot de inschakeling van vrachtauto’s voor het bulktransport. We zien dan ook bij de grootafnemers van suiker een verschuiving van losse opslag naar bulkopslag. Bij suikerwerkenfabriek de Faam werd in 1972 daarvoor een suikersilo in gebruik genomen. Terwijl in de winkel de kleinverpakking in de plaats kwam van opslag in zakken van 50 kg, ging de industrie over tot bulkopslag. Op die manier mogen de suikersilo’s met recht de iconen van de suikerindustrie genoemd worden. De silo in Breda is beeldbepalend, maar de historische waarde van het complex als geheel is beperkt. De herhaalde moderniseringen van de fabriek hebben ervoor gezorgd dat van het oorspronkelijke complex niets meer over is. In 2004 werd er de laatste bietencampagne gehouden.