Een geschiedenis van de industrie in Breda

Geschiedenis industrie Breda
Samenvatting lezing Stadssociëteit De Gouden Cirkel, Breda 24 maart 2014
Jan Brouwers, Jorgen Janssens

1850

Rond 1850 had Breda geen industrie van betekenis. Daarmee is de stad geen uitzondering in Nederland: de industrialisatie kwam hier pas in de tweede helft van de negentiende eeuw op gang.

In Breda ontbrak het bovendien aan ondernemers: de nijverheid was kleinschalig en bleef dat gedurende de negentiende eeuw lange tijd.

De gemeente ontmoedigde industrieel ondernemerschap zelfs: toen na 1880 de industriële revolutie ook in Nederland op gang kwam verhinderde de gemeente het oprichten van bedrijven die gebruik maakten van stoommachines. Breda moest een aantrekkelijke woonstad zijn voor de gegoede burgerij. Met hun koopkracht zouden de rijke burgers de ontwikkeling van de middenstand stimuleren. Aan de groei van industriële werkgelegenheid dacht het Bredase gemeentebestuur tot het begin van de twintigste eeuw niet. Zelfs niet toen na het slopen van de vestingmuren, waarmee begonnen werd in 1870, ruimte vrijkwam voor het vestigen van industrie.

De industriële revolutie rond Breda

Ondanks het gemeentelijk beleid groeide de industrie in de agglomeratie Breda na 1870 sterk. De gemeente Breda was niet groter dan het gebied binnen de singels. Daarbuiten lagen de gemeentes Princenhage, Teteringen en Ginneken en Bavel. Vooral op het gebied van de eerste twee gemeentes waren de vestigingsvoorwaarden voor industrie gunstig. Er was veel grond beschikbaar en de rivier de Mark en de spoorweg zorgden voor een goede bereikbaarheid. Beperkende voorwaarden waren er nauwelijks: de gemeentebesturen van de Bredase randgemeenten hadden vooral zorg voor de leefbaarheid in de dorpskernen die ver van de zich ontwikkelende industrie lagen.

De belangrijkste sectoren

De industriële groei voltrok zich – als we kijken naar de werkgelegenheid – aanvankelijk vooral in de voedings- en genotmiddelenindustrie, later ook in de metaal en de textielindustrie. Enkele bekende voorbeelden:

Metaal

Etna

Cornelis Klep had een smederij aan de Haagdijk. In 1887 opende hij een fabriek aan de Tramsingel, waar onder meer kachels en fornuizen werden gemaakt van het merk ‘Etna’.

Machinefabriek Breda

In het centrum van Breda, aan de Jan van Polanenkade groeide de Machinefabriek Breda, voorheen Backer en Rueb. Deze zou pas na 1930 verhuizen naar het nieuwe industriegebied in de Belcrumpolder.

Voedings- en genotmiddelen

Suikerfabriek Wittouck, later Centrale Suikermaatschappij (CSM)

Kwatta

Opgericht door de plantage-eigenaar J.G. van Emden die na de afschaffing van de slavernij in Suriname naar Breda was gekomen om daar zijn geld te verdienen met het produceren van chocolade.

Dat is hem uiteindelijk goed gelukt doordat hij een nieuw product op de markt bracht. Chocolade was tot dan toe een luxe-artikel. De chocoladerepen van Kwatta waren voor de gewone man betaalbaar en dankzij reclame werd ‘Kwatta’ een ijzersterk merk.

Hero

Lonka

Textiel

Hollandse Kunstzijde Industrie/ENKA

Twee voorbeelden

Brouwerij De Drie Hoefijzers

In 1807 kocht Franciscus Smits de brouwerij De Drie Hoefijzers aan de Boschstraat. Ze was destijds een van de acht brouwerijen in de stad. In de loop van de negentiende eeuw groeide het bedrijf geleidelijk. Maar na 1870 kwam er een versnelling in de groei en in 1920 was De Drie Hoefijzers nog de enige brouwerij in Breda.

Dat is de verdienste van Franz Smits (1844–1890). Hij stelde zich in Duitsland en België op de hoogte van de nieuwste brouwtechnieken en paste deze toe in Breda. Verder volgde hij het werk van Louis Pasteur op de voet. Deze Franse wetenschapper had ontdekt dat micro-organismen biergist kunnen verontreinigen. Franz richtte daarom een gistkamer in, om dit te voorkomen.

Franz Smits zag ook hoe de smaak van de consumenten veranderende. In plaats van het traditionele bier, kwamen bieren als pilsener in de mode. Die werden op industriële schaal gebrouwen. Daardoor waren ze goedkoop en van constante kwaliteit.

Om de moderne technieken van het bierbrouwen te kunnen toepassen, was de brouwerij in de Boschstraat te klein. Smits kocht daarom een terrein aan de spoorlijn ten noorden van de stad waar hij in 1887 een nieuwe brouwerij bouwde. Terwijl de andere Bredase brouwerijen bezweken onder de concurrentie, werd De Drie Hoefijzers een van de grootste brouwerijen van Nederland.

De Faam

Petrus de Bont verwierf in 1851 een bakkerij aan de Catharinastraat. Daar ging hij ook pepermunt maken die hij verkocht onder het merk ‘Fama’. Na zijn dood in 1861 zette zijn vrouw het bedrijf voort. Hun zoon Piet bouwde in 1881 een fabriek aan de Middellaan, die in 1912 naar de Liniestraat werd verplaatst. De merknaam ‘Faam’ werd tot ver buiten de landsgrenzen een begrip.

De Belcrum

In 1917 was de houding van het Bredase gemeentebestuur tegenover de vestiging van industrie fundamenteel veranderd. B en w besloten tot de aanleg van een industrieterrein in de Belcrumpolder. De Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende economische crisis maakte dat het nieuwe industrieterrein nog jaren braak bleef liggen. Maar de komst, in 1926, van de veiling zorgde voor een ommekeer.

De Belcrum was het eerste planmatig opgezette industrieterrein in Breda. De arbeiders woonden dicht bij hun werk, de woonwijk ligt dan ook naast het industrieterrein. De toren van het slachthuis en de watertoren fungeerden als blikvangers. Naast de veiling stonden – en staan grotendeels nog steeds – woningen van handelaren in groente en fruit. Hun typische woningen hebben op de benedenverdieping een garage en opslagplaats.

Na 1950

Na de Tweede Wereldoorlog werd Nederland pas echt een industrieland. Het rijk en de provincies voerden een actieve industrialisatiepolitiek. Merkwaardig genoeg gaat deze tweede industrialisatiegolf aan Breda voorbij. De familiebedrijven, die tot dan toe de motor van de Bredase industrie waren, zijn te klein om te kunnen investeren in vernieuwing. Innovatie in techniek en in marketing was vroeger het kenmerk geweest van de Bredase industriëlen. Dat vermogen tot innovatie is verdwenen.

Opnieuw gaat de gemeente een actieve industriepolitiek voeren. In 1960 richt ze de Bredase Industriebevorderingsmaatschappij (BRIM) op. Die zal erin slagen nieuwe industrieën naar Breda te halen. Maar de traditionele industrie verdwijnt. Een – onvolledig – lijstje:

  • Kwatta 1977
  • Enka 1982
  • Etna 1983
  • Machinefabriek Breda 1993
  • Drie Hoefijzers/Oranjeboom 2004
  • CSM 2008
  • Faam 2013

Al deze bedrijven waren onderdeel geworden van internationale concerns. Beslissingen over handhaven of sluiten werden ver buiten Breda genomen. Wat overblijft zijn nog een aantal industriële monumenten die herinneren aan de belangrijke fase in de Bredase geschiedenis. Als er nog steeds vindingrijkheid, durf en initiatief in de stad zijn, net zoals in de tijd waarin ze werden opgericht, kunnen deze monumenten behouden blijven.

Literatuur
M.J.M. Duighuijsen, Geschiedenis van Breda. III 1795–1960, hoofdlijnen en accenten Breda 1990
Henk Muntjewerff, Jan Brouwers, Industrieel erfgoed in Via Breda. Een factor van belang Breda 2005
Jorgen Janssens, De Faam. 175 jaar suikerwerken Breda 2013