Een begraafplaats voor armen en slachtoffers van de pest

Op 14 september 1666 verloor Cornelis Joost Joosten uit Heusdenhout zijn dochter Aellie aan de pest. Binnen drie weken waren zijn vier andere kinderen Jenneken, Geeraert, Josijntie en Engeltje en hijzelf bezweken aan de ziekte. Hele gezinnen kwamen om in het najaar van 1666, vooral in Heusdenhout, Ulvenhout, Notsel en aan de Lovensdijk en de Molengracht. In 1668 kwam de ziekte terug om tot in het volgende jaar huis te houden in Ginneken en omgeving.

De slachtoffers van deze besmettelijke ziekte mochten niet in de kerk begraven worden. Ze kregen daarom een graf op de nieuwe begraafplaats aan de zuidzijde van de kerk. Daar werden ook de mensen begraven voor wie een graf in de kerk te duur was.[1]

© 2016 Jan Brouwers.


  1. Hallema 1940, 148–149.  ↩