Een beeld van de rooms-katholieke kerk in Breda tijdens de negentiende en twintigste eeuw

De toren van de Grote Kerk domineert het silhouet van de stad Breda. In 1637 moesten de katholieken de kerk afstaan aan de protestanten. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Sint-Jan in Den Bosch zou de Bredase Grote Kerk nooit meer in roomse handen komen. Tijdens de negentiende eeuw bouwden de Bredase katholieken eigen kerken waarmee ze hun stempel drukten op het aanzien van de stad. Toen de journalist Gerard van Herpen in 1962 in het Dagblad De Stem zijn rubriek ‘De stad rond’ begon, liet hij er als logo het stadssilhouet van Breda bij plaatsen.

We zien links en rechts fabrieksschoorstenen, de flats van de nieuwbouwwijken en de Koepel, toen nog gevangenis. In het midden staat de Grote Kerk met daarnaast drie neogotische katholieke kerkgebouwen: de Barbarakathedraal aan de Haven, de Jozefkerk aan de Oranjesingel en Maria Hemelvaartkerk die aan de Ginnekenstraat stond. En ten slotte — minder prominent — de Antoniuskerk aan de Sint-Janstraat, de tegenwoordige kathedraal van het bisdom Breda.

Barbarakathedraal

De Barbarakathedraal in Breda behoort tot een van de eerste werken van architect Pierre Cuypers. Nadat de kerk in 1869 gereed was gekomen, werd ze zes jaar later tot kathedraal verheven. Ze verving de Antoniuskerk die weer een gewone parochiekerk werd.

De Barbarakathedraal is niet alleen een vroeg werk van Cuypers, het is ook een van zijn grootste: met maar liefst vijf beuken — een unicum in zijn oeuvre — en een hoge kruisingstoren. De twee torens die hij aan de westkant had getekend, zijn er nooit gekomen maar die ene toren die wel gerealiseerd werd, was hoog genoeg om het silhouet van Breda mede te bepalen.

Nieuwe wijken

Zo was dat nog steeds in 1962. Het was een tijd waarin Breda sterk groeide: na 1945 waren de wijken Hoge Vucht, Brabantpark, Heusdenhout, IJpelaar, Overakker, Boeimeer en Heuvel. Het aantal bewoners van de binnenstad liep tegelijkertijd sterk terug: het centrum van de stad werd een winkelcentrum.

In de nieuwe wijken waren ook kerken nodig. Het was in die tijd immers nog vanzelfsprekend dat elke katholiek zondags naar de kerk ging. Er was veel geld nodig voor de bouw van kerken, schreef het Bisdomblad. ‘En dan liefst van KERKEN, niet van godsdienstige garages, waarin goedkoop ook weer duurkoop zou blijken te zijn.’

Ondertussen werden de kerken in de binnenstad gerestaureerd. Allereerst de Antoniuskerk. Dit rijksmonument werd voor veel geld opgeknapt. Ook aan de kathedraal en de Maria Hemelvaartkerk moest het nodige gebeuren. In de jaren vijftig was in deze gebouwen voor enkele honderdduizenden guldens geïnvesteerd. Daarbij werden onder meer de altaren verplaatst, waardoor ze vanuit de kerk beter zichtbaar waren.

Kerkenbouwzondag

Om geld in te zamelen voor nieuwe kerken organiseerden de Nederlandse bisdommen jaarlijks een ‘Kerkenbouwzondag’. Ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1962 beschreef de Rotterdamse bisschop Jansen hoe de moderne kerk eruit zag: vooral laag. Imponeren was uit de tijd, de kerk moest een uitnodigende plaats van samenkomst worden. Een jaar later werd zelfs de vraag gesteld: zijn zelfs die moderne, sobere kerken niet te mooi? Niet noodzakelijk, aldus het bisdomblad. ‘Het zou pastoraal onbarmhartig en dus in de grond ethisch onverantwoord zijn’ om van de parochianen te vragen dat ze in een schuur bijeen zou komen.

In 1963 viel voor het eerst het besluit om een kerk in Breda te sluiten: Maria Hemelvaartkerk. De bevolking van de Bredase binnenstad liep sterk terug en de kosten van restauratie van de kerk beliepen een bedrag waarvoor een nieuwe kerk kon worden neergezet. Dat ging de pastoor van de Maria Hemelvaartkerk dan ook doen: in de nieuwbouwwijk Ruitersbos zou een nieuwe kerk komen. Ook de bouw van de vier andere kerken zou deels bekostigd worden uit de opbrengst van de verkoop van de grond aan het V&D-concern, dat er een nieuw warenhuis zou gaan wegzetten.

Het besluit veroorzaakte veel onrust. In het Dagblad De Stem verschenen vele ingezonden brieven en het bisdom was genoodzaakt zijn besluit nogmaals toe te lichten. Het besluit was na veel wikken en wegen genomen, verzekerde het bisdomblad. De Antoniuskerk kwam als monument niet in aanmerking voor sluiting en de kathedraal natuurlijk helemaal niet. ‘Er is nadrukkelijk geen sprake van, dat de Bisschop overweegt nog een tweede parochiekerk in de binnenstad op te heffen.’

Leegloop

De leegloop van de binnenstad was trouwens geen typisch Breda’s verschijnsel: ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1964 schreef de bisschop van Haarlem dat ook in zijn bisdom, met name in Amsterdam, kerken die hun functie verloren hadden door gebrek aan priesters en gelovigen, moesten verdwijnen. Men moest de moed hebben om afscheid te nemen van gebouwen ‘die plaats dienen te maken voor de onverbiddelijke realiteit van deze stedelijke dynamiek’, schreef de bisschop.

In Breda konden veel gelovigen die moed niet opbrengen. Toen in januari 1965 de sluiting van de Maria Hemelvaartkerk een feit werd, kreeg De Stem weer veel negatieve reacties. Het bisdom herhaalde zijn argumenten nog eens: er waren te veel kerken in de binnenstad van Breda. De Antoniuskerk en de kathedraal kwamen niet in aanmerking voor sluiting omdat deze twee juist gerestaureerd waren. ‘Het zou nu allerdwaast zijn en van kortzichtig beleid getuigen wanneer zou worden besloten de kathedraal af te breken en de Maria Hemelvaart te restaureren’.

Sluiting kathedraal

Maar nog geen drie jaar later, in de zomer van 1967, viel het besluit om de kathedraal te sluiten. Het aantal parochianen was onverwacht snel teruggelopen. De kathedraal werd nauwelijks nog gebruikt. Het was onverantwoord om nog veel geld in deze bouwval te steken.

Op 30 maart 1968 ging mgr. Ernst voor in de sluitingsdienst van de kathedraal. Het bisdomblad ging er uitgebreid op in. De voorpagina bevatte zes foto’s die in detail moesten laten zien hoe slecht het gebouw eraan toe was. En verder werd de keuze voor de nieuwe bisschopskerk, de kerk van de Heilige Michael in een buitenwijk van de stad verklaard.

‘De tijd van het byzantinisme, van triomferende Kerk, van pracht en praal in luisterrijke shows is voorbij, zeker in het Nederlandse katholicisme. Kathedralen worden niet meer gebouwd als eeuwen trotserende monumenten en kerken zijn praktische ruimten geworden, die moeten voldoen aan het kunnen samenzijn van de gelovige gemeente rond de tafel van de Heer. Een bisschop is niet meer een principaal in een klein vorstendommetje en gaat niet meer gekleed in purper van de episcopale discriminatie, maar in het grijze kostuum van de gelijkheid met de broeders in het priesterschap. Het zal misschien ook niet heel lang meer duren, dat hij de gekleurde stropdas draagt van iedere manager en huisvader. Vanuit deze ontwikkeling is het te verklaren, dat er nu, na de sluiting van de Bredase kathedraal, geen kathedraal meer komt, maar een bisschopskerk: de kerk, die de bisschop allereerst wil zien als zijn kerk, waarin hij het gewone volk op een gewone zondag kan bereiken. Een kerk, die zo is gebouwd en ingericht, dat de celebrant midden tussen de mensen kan staan in zijn voorgaan bij de eucharistische samenkomst’.

Geen kathedralen meer

De toenmalige bisschop, mgr. H. Ernst, wilde ‘samen met de pastoor, die geen plebaan zal zijn en nog minder hoogeerwaarde, deze kerk maken tot middelpunt van zijn bisdom. ‘En zeker zal deze nieuwe bisschopskerk haar gewone functie van parochiekerk behouden. Kathedralen zijn niet meer nodig, wel parochiekerken’.

Mgr. Ernst vatte het kerkenbouwbeleid van het bisdom als volgt samen: ‘Een kerk wordt gesloten, een andere wordt opgebouwd. Een kerk wordt opgebouwd daar waar de mensen heengaan. En waar zij wegtrekken wordt er een gesloten. De kerken delen de lotgevallen van de mensen en hun huizen.’

Aan kerkenbouwzondag werd al een paar jaar weinig aandacht meer geschonken in het bisdomblad en in januari 1969 werd voor het eerst de vraag gesteld of het nog wel zin had kerken te bouwen. De ontkerkelijking ging snel: in 1968 was het kerkbezoek tussen januari en oktober met 5 procent teruggelopen. Het leek niet meer verantwoord om overal waar huizen werden gebouwd ook meteen een kerk neer te zetten. Mensen moesten eraan wennen dat ze naar de mis gingen in gymnastieklokalen. Dat gebeurde uiteindelijk niet, maar ook de neogotische Jozefkerk viel in 1972 onder de slopershamer.

Gymnasieklokaal

In 1960 werden de gelovigen nog opgeroepen bij te dragen aan de bouw van fraaie kerken. Je kon toch niet kerken in een garage. Enkele jaren later kwam er al voorzichtig de vraag op of de kerken niet wat soberder konden. De sluiting van de eerste neogotische kerk liet daarna niet lang op zich wachten. En uiteindelijk werd ook het nut van het bouwen van nieuwe kerken betwijfeld. Een gymnastieklokaal was misschien net zo geschikt.

Anno 2001 zijn de meeste kerken die tussen 1955 en 1970 in de nieuwbouwwijken werden gebouwd, alweer gesloopt. De toekomst bleek er toch anders uit te zien dan men in de jaren zestig had gedacht. In de binnenstad werden weer woningen gebouwd, het warenhuis van V&D waarvoor de Maria Hemelvaartkerk moest wijken, zijn er nooit gekomen. Evenmin als de nieuwe Maria Hemelvaartkerk in Ruitersbos.

De kathedraal keerde terug in de binnenstad: de Antoniuskerk, die destijds van sluiting werd gered omdat het een rijksmonument is, verving de ‘bisschopskerk’ in het Brabantpark. Maar het uit het silhouet van de de binnenstad zijn de hoge torens van de katholieke kerken verdwenen.

Bronnen: J.J. Brouwers, ‘Een beeld van de katholieke kerk in Breda. Essay over de recente kerkgeschiedenis’, in: P.H.A.M. Abels e.a. (red.), Van tweeën één. Kerk in West-Brabant door de eeuwen heen (Delft 2001) 257–263.

Jan Brouwers, ‘De verdwenen kathedraal van Cuypers’, in: Katholiek Nieuwsblad, 23 november 2018, 17.