De geest van Loe de Jong

Dezer dagen staat Loe de Jong weer in de belangstelling: kort geleden promoveerde Boudewijn Smits op een biografie van de geschiedschrijver van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Loe de Jong zelf heb ik nooit ontmoet, maar zijn geest was nog aanwezig in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bezocht toen ik daar onderzoek deed als student en later als samensteller van tentoonstellingen

Publieksvriendelijk was het Rijksinstituut niet. Een keer kreeg ik zelfs de vraag wat ik eigenlijk kwam doen. Want De Jong had toch alles al uitgezocht.

Mijn eerste bezoek was met veel moeite tot stand gekomen. Om toegang te krijgen moest ik een afspraak maken met mevrouw A. Dat lukte uiteindelijk nadat ik een officieel verzoek had gedaan met daarin een opgave van het archief dat ik wilde inzien. Ik ging daar Amsterdam en zij deelde mij mede dat ik inderdaad toegang kreeg tot het archief dat ik nodig had. Daartoe moest ik een afspraak maken met de heer B, maar die was er niet.

Later heb ik nog meer hindernissen van bureaucratische aard moeten overwinnen. Zo had ik een keer gegevens nodig uit een kaartenbak. Deze bak stond bij een van de medewerkers op de kamer en de persoon in kwestie hield er niet van dat er iemand kwam rondsnuffelen terwijl hij zat te werken. Ik moest daarom met hem een afspraak maken zodat ik kon komen als hij er niet was én met een andere medewerker die tot taak had om voor mij de deur van de kamer open te doen.

Een andere keer werd mijn aanvraag voor een archiefstuk afgewezen. Ik had namelijk dossier nummer 5 aangevraagd, maar niet aangegeven welk nummer 5. Het archief telde namelijk drie dozen nummer 5.

Zo ben ik vele malen, soms tevergeefs, in het grachtenpand geweest waar het Instituut gevestigd was. De werkruimtes waren Spartaans, maar de gangen hadden nog de uitstraling van een pand dat waarschijnlijk aan een rijke Amsterdammer uit de Gouden Eeuw had toebehoord. Op de deuren stonden opschriften met sierlijke goudkleurige letters en een van die opschriften luidde: ‘Dr. L. de Jong’. Zijn kamer was er nog, al werkte hij er al lang niet meer.

Enkele jaren was ik weer eens in het gebouw, waar toen Erfgoed Nederland in was gevestigd. Aan het interieur was niets veranderd.

Op zeker moment excuseerde ik mij onder het mom van toiletbezoek en liep het gebouw door. De deur met het gouden opschrift ‘Dr. L. de Jong’ was er nog steeds.

De deur was niet op slot. Zou de kamer nog helemaal zijn zoals toen De Jong er werkte? Zou de vulpen waarmee hij de laatste punt zette er nog liggen? Zou ik op zijn stoel gaan zitten?

Ik deed de deur open en stond in het herentoilet.

Toen realiseerde ik me dat niet de geest van De Jong er rondwaarde, maar die van Kafka.