Beleg en propaganda: Breda tijdens de Nederlandse Opstand

Gepubliceerd op de site van Boekhandel Van Kemenade & Hollaers

De Tachtigjarige oorlog is het begin van het huidige Nederland en van de militaire geschiedenis van ons land. Een geïmproviseerde opstand tegen de toenmalige wereldmacht Spanje werd van een kansloze onderneming tot een succesverhaal: uit de opstand ontstond de Republiek die in de zeventiende eeuw de machtigste handelsnatie van Europa was.

Het eerste deel van een nieuwe serie handboeken behandelt de opbouw van leger en vloot onder de bekwame leiding van legeraanvoerders als de prinsen Maurits en Frederik-Hendrik. Niet alleen het verloop van de oorlog, maar ook de organisatie en – zeker zo belangrijk – de financiering komen aan de orde. Het handboek bundelt de huidige inzichten van de militaire geschiedschrijving en presenteert deze resultaten op een aantrekkelijke manier met illustraties, kaarten en grafieken.

Voor inwoners van Breda kan dit boek een teleurstelling zijn. Ze zijn opgegroeid met de verhalen over het Turfschip, over het beleg door Spinola en de daaropvolgende overgave van de stad die is vastgelegd op een wereldberoemd schilderij en tenslotte de inname van de stad door stedendwinger Frederik Hendrik. Je zou denken dat deze episodes uitgebreid worden behandeld, maar dat is niet zo. Voor het verloop van de strijd was Breda van weinig belang.

De verovering van Breda met het turfschip was natuurlijk een huzarenstukje – al waren er geen huzaren bij betrokken. Maar het was eigenlijk maar een voorafje voor de veldtochten die prins Maurits in 1591 en 1592 en waarbij hij een hele reeks steden van Coevorden tot Hulst veroverde. Dat hij het jaar daarvoor Breda in handen kreeg was vooral van psychologisch belang. En uiteraard behoorde de stad tot de voornaamste bezittingen van de Oranjes. Dat telde ook mee.

Ook de belegering door Spinola in 1624 was eigenlijk maar een bijzaak. De Spaanse legeraanvoerder had dat jaar tevergeefs geprobeerd Bergen op Zoom in handen te krijgen. Uit frustratie richtte hij vervolgens zijn aandacht op het strategisch veel minder belangrijke Breda – ook een harde waarheid die de Bredase lezers van dit boek onder ogen zullen moeten zien. Het was inmiddels herfst geworden en het beleg duurde negen maanden waarbij de wintermaanden uiteraard de zwaarste waren. Koude en honger eisten een hoge tol van de Spanjaarden en de Spaanse koning was woedend toen hij hoorde hoeveel de inname van het relatief onbelangrijke Breda had gekost. Hij besloot dat het afgelopen moest zijn met de strijd op het land en hij beval dat de oorlog op zee uitgevochten moest worden.

In 1637 stond Frederik-Hendrik er eigenlijk net zo voor als Spinola dertien jaar eerder. Er was een einde gekomen aan zijn reeks veroveringen en in Den Haag klonk de roep om vrede met Spanje steeds luider. Hij moest nu wel laten zien dat voortzetting van de strijd zin had en koos Breda uit om dit bewijs te leveren. Het lukte hem, zoals we weten. Maar ook hier was de prijs hoog. Omdat Frederik-Hendrik al zijn middelen voor het beleg van Breda aanwendde, gingen Venlo en Roermond verloren. Maastricht, ook in handen van de Republiek, raakte geïsoleerd. Via het veroverde gebied hadden Spaanse troepen die in Duitsland uitgevochten waren vrij baan naar Antwerpen. Frederik-Hendrik had steeds gehoopt deze belangrijke stad te kunnen heroveren. Maar de Spaanse versterkingen maakten dit onmogelijk. Hem restte slechts het kleine Breda en de schrale troost dat nieuws de val van de stad zich snel over Europa verspreidde en voor de Spanjaarden een enorm gezichtsverlies betekende.

Voor de stad Breda waren deze belegeringen rampzalig. Maar bezien vanuit het bredere perspectief van de hedendaagse militaire geschiedenis waren deze gebeurtenissen van gering belang. Er is een combinatie van propaganda en chauvinisme voor nodig om ze tot wereldschokkende proporties op te blazen.

De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog, 1568–1648, Amsterdam: Boom, 2013, 496 p. € 39,90.