Onder dezelfde sterren

Katholiek Nieuwsblad 9 oktober 2020

Sinds de tijd van keizer Augustus had er in de gebouwen van de senaat in Rome een altaar van de godin Victoria gestaan. De christelijke keizer Gratianus had echter het in 382 laten verwijderen. Dit leidde tot herhaalde protesten van Symmachus, de meest vooraanstaande senator van zijn tijd. In de zomer van 384 schreef hij een brief aan de keizers – er waren er toen drie – waarin hij bepleitte dat het beeld zou terugkeren naar de senaat. Zelf was hij geen christen maar hij wilde het christendom niet verbieden. Hij vroeg zich af waarom het niet mogelijk was dat verschillende religies naast elkaar bestonden. “We kijken naar dezelfde sterren, de hemel is voor iedereen hetzelfde, dezelfde wereld omringt ons. Wat maakt het uit hoe we naar de waarheid zoeken? Er is meer dan één weg naar zo’n groot geheim. Maar dit is een discussie voor mensen die op hun gemak zijn, wij willen geen conflict maar bieden gebeden aan”, zo schreef hij.

In de tijd van Symmachus leefden christenen en “heidenen” naast elkaar in het Romeinse rijk. Keizer Constantijn de Grote had de christenen in 313 vrijheid van godsdienst geschonken, maar het christendom was nog lang geen staatsgodsdienst. Constantijn zelf had zich pas op zijn sterfbed laten dopen. Dat was in die tijd overigens niet ongebruikelijk. De doop waste alle zonden van je af en omdat je met een been in het graf geen misstappen meer kon begaan, was je er zeker van dat je niet in de hel terecht zou komen als je je pas op het allerlaatst liet dopen.

Dat de keizers niet ingingen op het verzoek van Symmachus, was mede het gevolg van de invloed van Ambrosius, de bisschop van Milaan. Hij zat dicht bij het vuur omdat Milaan in die tijd een van de keizerlijke residenties was. Daarbij was hij een ervaren politicus. Voordat hij door de Milanese christenen bij acclamatie tot bisschop werd gekozen, had hij als gouverneur in de stad gezeteld.

Victoria kwam dus niet meer terug in de gebouwen van de senaat. De traditionele Romeinse godsdienst was nu definitief in de verdediging gedrongen. Keizer Theodosius zou vanaf 392 deze godsdienst verbieden en het christendom feitelijk tot staatsgodsdienst maken.

In zijn boek Onder dezelfde sterren beschrijft Wim Jurg hoe het christendom de dominante godsdienst in het Romeinse rijk werd. Symmachus, Ambrosius en Theodosius zijn de hoofdrolspelers in dit verhaal. Maar van die drie staat Ambrosius het meest in de schijnwerpers. Zijn invloed op de keizer is groot. In de zomer van 390 richtten soldaten een slachting aan onder de inwoners van de stad Thessaloniki. Dit leidde tot grote verontwaardiging in het hele rijk. De keizer werd verantwoordelijk gehouden voor de dood van duizenden onschuldige burgers. Ambrosius wist hem ertoe te bewegen in het openbaar boete te doen. Waarschijnlijk heeft hij tijdens een kerkdienst om vergeving gevraagd en mocht hij gedurende een bepaalde periode geen diensten bijwonen. Daarbij zal ook een rol hebben gespeeld dat hij zich net als Constantijn op zijn sterfbed had laten dopen. In tegenstelling tot Constantijn was hij echter hersteld van de ziekte die aanvankelijk dodelijk leek te zijn. Theodosius moest als christen boete doen voor zijn zonden.

Symmachus lijkt zo tolerant dat hij in onze tijd zou passen. Is dat ook zo, vragen we aan Wim Jurg. “Symmachus zou in onze tijd wellicht worden onthaald vanwege zijn religieuze tolerantie, maar waarschijnlijk, bijvoorbeeld vanwege zijn opvattingen over vrouwen, zou hij ook als een onverbeterlijke conservatief zijn gezien. Er zal bij zijn tolerante houding vast ook politieke motivatie mee hebben gespeeld, maar uit zijn persoonlijke brieven blijkt ook groot respect voor zijn christelijke vrienden”, aldus Jurg.

Had Ambrosius net als Symmachus vriendschappelijke contacten met niet-christenen?

“Ambrosius heeft zeker beleefd met niet-christenen gecorrespondeerd, zoals soms met Symmachus, maar de vriendschap spat er niet af. Het probleem is dat hij alles wat hij op schrift naliet zo onder controle heeft gehouden dat je feitelijk alleen kunt zeggen dat hij in elk geval niet de indruk van vriendschappelijke omgang met niet-christenen wilde geven. Heel anders dan bijvoorbeeld Augustinus, die een talent voor vriendschap lijkt te hebben gehad.”

In hoeverre heeft Ambrosius ertoe bijgedragen dat het christendom uiteindelijk de enige toegelaten godsdienst werd?

“Ik denk dat Ambrosius daar zeer aan heeft bijgedragen, toch had hij het vermoedelijk niet vanaf het begin voor ogen. Misschien dacht hij eerst niet eens dat het mogelijk was om de oude priesterschappen en rituelen zo hard aan te pakken. Maar nadat het keizerlijke hof naar zijn eigen Milaan was verhuisd zag hij een kans en die greep hij.”

“Heidense” rituelen werden verboden. Voortaan was er alleen nog voor christenen plaats onder de sterren.

Wim Jurg, Onder dezelfde sterren. De laatste heidense senator en zijn christelijke vrienden.

Uitgeverij: Damon

Pagina’s: 216

€ 24,90

ISBN 978 94 6340 284 2

Een Vlaming uit West-Friesland

Katholiek Nieuwsblad 9 mei 2008

Emeritus-abt Grimbergen viert vijftigjarig priesterjubileum

Piet Wagenaar, emeritus-abt van het Norbertijnenabdij van Grimbergen viert op 15 mei dat hij vijftig jaar geleden hij tot priester werd gewijd en dat hij 25 jaar geleden abt werd. In die tijd veranderde er veel in de Kerk en in de kloosters. Als abt en als pastoor en deken van Grimbergen maakte hij deze veranderingen mee en gaf hij er leiding aan. Zo heeft hij kunnen meemaken dat leken meer inbreng hebben in de parochies. Hij klinkt als een geboren Vlaming, maar hij is een West-Fries die het Vlaams pas op latere leeftijd leerde: in Rome nog wel.

Er zijn wel veel katholieken, maar geen kloosters in West-Friesland. Na de lagere school ging hij dan ook naar het college van de Kruisheren in Uden. Hij kreeg hier de kans om zich verder te oriënteren en hij kwam in contact met de Norbertijnen. Hun ‘vita mixta’ trok hem aan: ze leven samen in een kloostergemeenschap, maar zijn ook als priester werkzaam in parochies. Hij leerde in die tijd de Norbertijnen van Heeswijk kennen, maar ook die van Grimbergen. Tijdens een vakantie fietste hij van West-Friesland naar het plaatsje ten noorden van Brussel. Het beviel hem daar wel, maar Heeswijk was voor een jongen uit Nederland de meest voor de hand liggende keuze. Toen hij echter met de abt van Heeswijk ging praten, bleek dat dit klooster genoeg kandidaten had. Dit in tegenstelling tot Grimbergen en zo kwam de West-Fries Piet Wagenaar in Vlaanderen terecht.

Voor iemand uit Noord-Holland is een verhuizing naar Vlaanderen vanwege het verschil in mentaliteit een grote overgang. Toch kon hij aarden in Grimbergen en dat kwam door zijn verblijf in Rome. In 1955 moest hij theologie gaan studeren aan de Gregoriana in Rome. In die jaren leefde hij samen met Vlaamse ordegenoten en werd daar Vlaming met de Vlamingen. Hij leerde zich in het Vlaams uit te drukken en hij merkte dat de Vlaamse mentaliteit hem lag: de openheid en ook de Bourgondische inslag.

Als student in Rome raakte hij onverwacht verzeild in een gebeurtenis die voor de kerk ingrijpende gevolgen zou hebben. Piet Wagenaar was op 25 januari 1959 in de basiliek van Sint Paulus-buiten-de-muren toen paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie aankondigde. Voor Piet Wagenaar kwam dit net zo onverwacht als voor de meeste andere katholieken. Een van zijn medestudenten zei hem op de terugweg: “Ge zult zien dat ze de volkstaal in de liturgie zullen gaan invoeren”. Wagenaar geloofde daar toen niets van.

Hij herinnert zich wel dat de verwachtingen hoog gespannen waren toen het concilie in 1962 begon, maar hij besefte nog niet dat de veranderingen die het concilie met zich meebracht ook voor hemzelf grote gevolgen zouden hebben. Toen hij naar Grimbergen terugkeerde, verwachtte hij de rest van zijn leven als docent te zullen doorbrengen maar dat liep anders. De toenmalige aartsbisschop van Mechelen-Brussel, kardinaal Suenens, was bezig de besluiten van de kerkvergadering door te voeren. Een van de maatregelen was het verkleinen van de dekenaten. Er waren dus meer dekens nodig. Piet Wagenaar kreeg van zijn abt en van de aartsbisschop de vraag voorgelegd of hij bereid was deze functie in Grimbergen op zich te nemen. Hij was nog geen 38 en had weinig ervaring in de parochie, maar hij deed het toch en hij heeft er geen spijt van gehad. Een boeiende tijd vond hij het, waarin de leken medeverantwoordelijkheid kregen in de kerk. Tot dan toe hadden de pastoors het voor het zeggen gehad in de parochies, maar nu werden er parochieraden opgericht en allerlei werkgroepen waarin leken meededen.

In 1982 werd hij gekozen tot abt van het klooster in Grimbergen. Het was weer een onverwachte wending in zijn leven. Een grotere overstap dan die van Nederland naar Vlaanderen, zo omschrijft hij het. Maar ook dit vatte hij op als een uitdaging. In die tijd waren alle ordes en congregaties bezig met het houden van ‘vernieuwingskapittels’. Ook dit was een uitvloeisel van het Tweede Vaticaans Concilie. “Een belangrijk punt was de vraag wie wij zijn”, vertelt Wagenaar. Zelf had hij, zoals we zagen, gekozen voor het leven als Norbertijn vanwege de combinatie van het kloosterleven en het parochiepastoraat. Die combinatie was verwaterd. “Veel confraters leefden als wereldheren, ze waren volledig zelfstandig.” Dat strookte niet met het charisma van de orde, die is gebaseerd om wat men de ‘drie c’s’ noemt. De eerste daarvan is de ‘communio’: “alles met hart en ziel samen delen op weg naar God”. Daarom werd iedereen verzocht om, voor zover mogelijk, deel te nemen aan het leven in de abdij, aan de maaltijden en zo mogelijk aan het koorgebed. De tweede c staat voor de cultus, het gebedsleven en het verzorgen van de eredienst en de derde c voor caritas, het “doorgeven wat je in de gemeenschap hebt overwogen”.

Er was enige weerstand, maar toch zijn velen teruggekeerd in de kloostergemeenschap en degenen die nieuw benoemd werden, moesten voortaan in de abdij wonen. Wagenaar geeft toe dat de nadruk ligt op de c van communio en minder op die van cultus en caritas. Dat is onvermijdelijk door het tekort aan priesters. Net zoals de seculieren worden de reguliere priesters van de abdij van Grimbergen steeds zwaarder belast. “Als je zestig werd, kreeg je er vroeger een kapelaan bij. Nu krijg je er een parochie bij”, zegt Wagenaar.

In 2004 nam hij afscheid als abt. Sindsdien heeft hij meer tijd gekregen voor lectuur, orgelspel en voor het archief van de abdij. Deze is in 1128 gesticht door de H. Norbertus zelf en is daarmee de oudste nog bestaande Norbertijnenabdij.

Piet Wagenaar kijkt terug op een boeiend leven. Hij niet teleurgesteld dat ondanks alle vernieuwingen waar hij aan heeft mogen meewerken de aantallen kerkgangers, priesters en kloosterlingen sterk zijn gedaald? “Ik ben niet pessimistisch”, zegt hij, “als ik zie dat in vergelijking met vroeger leken veel meer medeverantwoordelijkheid dragen. Hun inzet is buitengewoon. Er zijn bewegingen die jong en fris zijn, zoals Taizé en de Wereldjongerendagen. Hier in België hebben we goede bisschoppen; kardinaal Daneels is net als zijn voorganger Suenens een buitengewone figuur.” En al hebben er zich sinds 2000 weinig kandidaten meer gemeld om toe te treden tot de kloostergemeenschap is de abdij van Grimbergen nog lang niet zo vergrijsd als andere kloosters.

In de weekeinden zijn er nog steeds vijf vieringen maar Wagenaar tekent daarbij aan dat er soms heel weinig mensen de mis bijwonen. Wanneer er gregoriaans wordt gezongen zit de kerk echter steeds bomvol. Deze vieringen leveren ook de meeste reacties op. Soms blijkt daar nostalgie uit naar de ‘ouderwetse mis’ van vroeger. Met dergelijke reacties is Wagenaar niet blij. “Gregoriaans is niet ouderwets”, stelt hij. “Het is belangrijk dat er koren zijn, dat er gregoriaans of polyfonie wordt gezongen, maar op voorwaarde dat het volk erin betrokken wordt. Het volk moet de kans krijgen mee te zingen.” Ook in dit geval gaat de betrokkenheid van de leken hem aan het hart.

Lotharingia: reisgids langs een historische breuklijn

Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uit elkaar. Zijn kleinzoons verdeelden het in drieën en vervolgens werd het middelste gedeelte nog eens een keer in stukken geknipt. Het noordelijke deel kwam in 855 in handen van hertog Lotharius II. Zijn hertogdom omvatte Noordoost Frankrijk tot aan Zwitserland, het gebied tussen Schelde en Rijn in Nederland en België en in Duitsland onder meer de steden Aken, Keulen, Koblenz en Trier.

Al snel werd het hertogdom prooi van de twee belangrijkste restanten van het rijk van Karel de Grote: Frankrijk en het Duitse rijk. Maar de titel ‘hertog van Lotharingen’ bleef prestigieus. En natuurlijk is het nog steeds een bekende streek in het noord-oosten van Frankrijk.

De grote centra van de macht in Europa bevonden zich steeds buiten het oude Lotharingen en door de eeuwen heen werden er talloze oorlogen uitgevochten.

Lotharinghia is het derde deel van de trilogie van de Britse schrijver Simon Winder. Eerder verschenen van hem Germania en Danubia. Zijn invalshoek in origineel: meestal wordt geschiedenis geschreven vanuit de centra van de macht. Het voormalige Lotharingen is juist een gebied dat verscheurd en verwoest werd door de ambities van machthebbers elders.

Hoewel, op den duur ontstonden er in het gebied twee machtsfactoren van belang. In het zuiden Zwitserland, dat eeuwenlang zijn onafhankelijkheid en neutraliteit wist te handhaven. En in het noorden Nederland, dat als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden even een wereldmacht was.

Het is altijd aardig om te zien hoe een buitenlander tegen de Nederlandse geschiedenis aankijkt: zijn Britse publiek weet nu waarom het Nederlands elftal in het oranje speelt. Maar je kunt hem ook op foutjes betrappen. Per trein op weg naar Dordrecht ziet hij als hij over het Hollands Diep gaat de toren van de Grote Kerk van Dordrecht. Dat kan niet: zijn herinnering voegt die tocht waarschijnlijk samen met een treinrit over de Oude Maas. En hij heeft het over de ‘Spaanse Poort’ in Breda: het Spanjaardsgat lost in translation.

Over Breda schrijft hij verder: ’Toen ik op een dag ver buiten het centrum van Breda verdwaald raakte, maakte ik er een spoedcursus in de smaakvolle, verwrongen en gevarieerde Nederlandse architectuur van na 1918 van. In die tijd was de donkere baksteen populair en daarvan werden huizen met rare schoorstenen, karaktervol bewerkte buitenportalen en zonderlinge ramen gebouwd.’ Je vraagt je af waar hij heeft rondgedwaald. De Ginnekenweg? De Baronielaan?

Hij is hoe dan ook ongetwijfeld in Breda geweest. De grootste kwaliteit van het boek is namelijk de reislust die het etaleert. Winder is als een reisleider die in hoog tempo allerlei feiten en namen uitstrooit over zijn toehoorders die hem soms met moeite kunnen volgen. Het is dan ook goed dat de vertalers hier en daar uitleg geven.

Je merkt dat Winder het jammer vindt dat zijn boek af is. Nu heeft hij geen aanleiding meer om al die plaatsen die hij beschrijft te bezoeken. Zijn enthousiasme is zo groot dat de lezer zin krijgt om zelf eens naar plaatsen als Calais of Doornik te gaan. Om Mechelen te bekijken met zijn ogen of om in Lille te gaan zien of de schilderijen die hij noemt echt zo lelijk zijn. Winder zelf zal ongetwijfeld weer een aanleiding vinden om op reis te gaan. En het zal weer een inspirerend boek opleveren.

Simon Winder, Lotharingia. Een persoonlijke geschiedenis van Europa’s Grote Breuklijn, van de Lage Landen tot aan het Juragebergte, Amsterdam: Spectrum. € 34,99, ISBN 978 90 00 34845 9

Duurzame duurzaamheid

Friesch Dagblad 25 maart 2020

Duurzaamheid lijkt meetbaar. In 2015 stelden de Verenigde Naties 17 doelstellingen vast, de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen of Sustainable Development Goals (SDG’s) die in 2030 bereikt moeten zijn. In Nederland draait de stikstofdiscussie helemaal rond cijfers: wie is er verantwoordelijk voor de meeste uitstoot en wie moet er als eerste een stap terugdoen? Het kabinet vond een uitweg door de maximumsnelheid op de autowegen te verlagen tot 100 km/u. Wie zich aan die snelheid houdt, kan gerust zijn: hij is in ieder geval niet verantwoordelijk voor de aantasting van de natuur door een teveel aan stikstof.

Maar op die manier worden mensen niet blijvend gericht op duurzaamheid. Wie zich netjes aan de maximumsnelheid houdt, denkt vooral aan zijn eigenbelang: hoe voorkom ik dat ik een boete krijg. De Tilburg School of Catholic Theology en het Franciscaans Studiecentrum daagden daarom biologen, sociale wetenschappers, theologen en biologen uit met de vraag hoe je duurzaamheid zelf duurzaam maakt: hoe je het verankert in het gedrag van mensen.

Het resultaat is een bundel vol artikelen van grote diversiteit over motivatie en verantwoordelijkheid, maar ook over contemplatie en ethisch handelen. De auteurs putten daarbij uit zeer diverse bronnen: van de Chinese wijsbegeerte tot middeleeuwse spiritualiteit.

In de diversiteit die de bundel biedt zijn toch enkele hoofdlijnen aan te wijzen. Een daarvan is ‘bekering’, een woord dat meer inhoudt dan gedragsverandering. ‘Ecologische bekering’ betekent dat de mens niet langer zijn eigenbelang najaagt, maar zich inzet voor zaken van gedeelde waarde, zo schrijft samensteller Krijn Pansters in zijn inleiding: ‘een conversio morum van incidenteel goed gedrag naar een ecologisch leefpatroon waarmee we in onze behoeften voorzien zonder dat we mensen, het milieu of de economie in gevaar brengen’.

Dat is een taak die we niet op anderen, politici of opiniemakers, kunnen afwentelen. Iedereen moet zijn eigen handelen kritisch tegen het licht kunnen houden. Ideeën uit de christelijke traditie kunnen daarbij behulpzaam zijn. Hierover is al enorm veel geschreven. Pansters geeft een buitengewoon nuttig overzicht van de belangrijkste literatuur.

Drie zaken maken duurzaamheid duurzaam, zo schrijft hij: betrokkenheid, bekwaamheid en bekering. Betrokkenheid wil zeggen eerbied voor mens en milieu. Het begrip ‘bekwaamheid’ ontleent Pansters aan de encycliek Laudato si’ van paus Franciscus. Hierin staat centraal dat de mens keuzes kan maken aan de hand van de klassieke kardinale deugden: verstandigheid, rechtvaardigheid, matigheid en vooral moed. ‘Misschien is de menselijke moed, de kracht om open te staan voor het goede, wel de meest roepende deugd van deze encycliek’, zo schrijft Pansters.

En dan tenslotte bekering: hier kiest Pansters een franciscaans perspectief. De volgelingen van Franciscus van Assisi hebben soberheid hoog in het vaandel staan. Toch pleit Pansters niet voor een sober leven, maar juist voor een ‘franciscaanse verrijking’ van het leven met betrekkingen, deugden en waarden. ‘Zodra jij begint definitief ethisch – contemplatief, actief, reflectief – betrokken te zijn, wordt de wereld vanzelf een beetje duurzamer duurzaam. Een dergelijke morele omslag vereist wel een moedige mensgerichtheid’, aldus Pansters.

Maar hoe breng je dat in de praktijk. ‘Ik ben milieubewust, maar heb een ecologische voetafdruk van 4,4 hectare’, schrijft Willem Marie Speelman, directeur van het Franciscaans Studiecentrum, in zijn bijdrage. In plaats van te voldoen aan een norm volgt hij veel liever een persoon. Voor hem is dat Franciscus van Assisi. Maar moet ik dan net als Franciscus mijn huis verlaten en een zwervend bestaan gaan leiden, zo vraagt hij zich af.

Franciscus kon genieten van de natuur, maar niet zoals wij dat doen. De moderne mens beschouwt zichzelf niet meer als een deel van de natuur, maar als iemand die er gebruik van maakt. Zo wordt een boom tot hout, een schaap vlees. Tijd is geld voor de moderne mens en het nut van de mens zelf wordt afgemeten aan zijn arbeidskracht. Hij geniet nog wel van de natuur, vliegt zelfs de aarde rond om ervan te kunnen genieten, maar voelt er zich geen onderdeel van.

Franciscus zag de natuur daarentegen als en goddelijk mysterie. Tegelijkertijd besefte hij dat de natuur nuttig is voor de mens. Maar als zijn broeders bijvoorbeeld hout gingen kappen, drukte hij ze op het hart ervoor te zorgen dat de boom weer zou kunnen uitbotten. Niet meer gebruiken dan je nodig hebt, was zijn uitgangspunt. Dat is iets anders dan zorg om je ecologische voetafdruk. Het is een streven naar ‘het goede leven’, in goede afgestemde verhoudingen waarbij het ‘ik’ niet voorop staat.

‘Wie het goede leven zoekt, en daarbij zichzelf niet centraal hoeft te stellen die zal het goede leven vinden en naar verwachting slechts een kleine ecologische voetafdruk achterlaten’, concludeert Speelman.

Krijn Pansters (red.). Duurzame duurzaamheid. Ecologische bekering en betrokkenheid (Utrecht: Eburon 2020) € 28,-. ISBN 978-94-6301-268-3

Oudenbosch: klein Rome in Brabant

Katholiek Nieuwsblad 29 maart 2019

Oudenbosch staat vol religieus erfgoed. Mark Buijs schreef er een boek over en legt uit hoe het West-Brabantse dorp een klein Rome werd.

Het was pastoor Willem Hellemons (1810-1884) die zijn bouwkundige inspiratie opdeed in de Eeuwige Stad. Daar volgde hij van 1829 tot 1834 zijn opleiding tot priester.

“Hij had veel gevoel voor decorum en viel voor de charme van de Zuid-Europese stad”, zo vertelt Mark Buijs.” Hellemons richtte in 1840 de broedercongregatie van Saint Louis op, die het gelijknamige internaat voor jongens ging bestieren. In 25 jaar tijd verrees er gebouwen en een kapel met Italiaanse allure. “Hellemons had het toen precies zoals hij het wilde hebben: een Romeins plein met een fontein in het midden en een uitstraling die je in Zuid-Nederland nergens ziet. Op zomeravonden is het mooi als de gebouwen worden aangelicht. Dan heb je niet echt het idee dat je in Nederland rondloopt.”

De apostolisch vicaris van Breda — de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland was nog niet hersteld — vond het allemaal veel te provocerend. De emancipatie van de katholieken was nog maar net begonnen en de ze moesten daarom nog niet te hoog van de toren blazen. Hellemons trok zich er niets van aan: uiteindelijk betaalde hij alles zelf met hulp van welgestelde inwoners van Oudenbosch.

In 1867 werd de eerste steen gelegd voor de huidige basiliek van de H.H. Agatha en Barbara: een kleine versie van de Sint-Pieter met de voorgevel van Sint-Jan van Lateranen. “Hellemons imiteerde niet”, zo benadrukt Buijs, “hij volgde na”. Daarom nam hij de gerenommeerde architect Joseph Cuypers in de arm. Buijs: “Cuijpers is er naar mijn idee heel goed in geslaagd om de verhoudingen goed te maken. Toen ik voor de eerste keer in de Sint-Pieter in Rome was, was ik niet alleen onder de indruk van het gebouw, maar ook van wat ik in mijn hoofd had zitten van Oudenbosch. Het is er veel groter en heel anders van beleving, maar de ruimtelijke ervaring klopt gewoon.”

Hij wijst op de koepel: “De koepel is smaller dan het gat waar hij boven staat. Het is een zwevende koepel. Die blauwe vlakken zijn zwikken die draaien een beetje naar binnen en daar staat hij in feite op. Het is een hele vernuftige constructie. Als je nagaat dat dit allemaal in baksteen is gezet, dan is het knap van Cuijpers dat hij dat kon uitrekenen en tekenen, maar ik vind het minstens zo knap van de Oudenbossche metselaars die dat toch echt niet gewend waren om te maken. Je kunt nog zo’n mooie tekening hebben, het komt er wel op aan dat het allemaal klopt. Dat hebben ze wel goed gedaan want het staat er allemaal nog steeds. Dat geldt ook voor de verhoudingen van de kolommen, de pilaren, de basementen, de lijsten. Alles is gewoon puur vakmanschap.”

Net als de basiliek is ook de kapel van Saint-Louis nog geheel intact. “Het gebouw is nu eigendom van een stichting die het van de broeders heeft gekocht en het is de bedoeling dat de gemeente eigenaar wordt. Die krijgt dan ook de verantwoordelijkheid voor de hele inboedel die onlosmakelijk aan het gebouw verbonden is”, legt Mark Buijs uit. De rest van het voormalige internaat en klooster kreeg een herbestemming doordat een woningstichting het kocht om er woningen in te maken. Dat was de redding van het complex, aldus Buijs: “Ze pakten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op”.

En zo is er meer religieus erfgoed herbestemd. In het voormalige jezuïetenklooster bijvoorbeeld is nu een brasserie gevestigd en de sterrenwacht in het gebouw is opnieuw in gebruik genomen.

Maar ook kleine monumenten krijgen aandacht. Achter het jezuïetenklooster staat een Lourdesgrot. Inwoners van Oudenbosch hebben zich over dit rijksmonument ontfermd. Mark Buijs vertelt dat het tot voor kort nog helemaal overwoekerd was. “Twee jaar geleden hebben we gezegd: het zou leuk zijn om ook iets met die kleine dingen te gaan doen. We hebben toen de Vrienden van het Religieus Erfgoed opgericht om ons op kleine objecten te richten. Deze grot is op deze manier weer een stukje zichtbaar religieus erfgoed geworden. Het is leuk om dat met elkaar te kunnen doen, want dat zorgt voor enthousiasme bij mensen die er anders niet bij betrokken zouden zijn. Je hoeft dus niet altijd naar de gemeente of de eigenaar te kijken: je kunt zelf ook een steentje bijdragen.”

Zo blijft Hellemons zijn stempel drukken op Oudenbosch. Buijs: “De ongeremde bouw-ambitie van Hellemons heeft erfgoed opgeleverd dat de identiteit van Oudenbosch bepaalt. Als je bedenkt dat het de ambitie van Hellemons was om de parochie waar hij zou gaan werken iets van zijn Romeinse jaren mee te geven, dan is hij daar aardig in geslaagd. Dat is leuk om de mensen te laten zien en beleven. Het is mooi dat al die gebouwen teruggaan op iemand die iets in zijn hoofd had en het ook voor elkaar wist te krijgen.”

Mark Buijs, Religieus erfgoed in Oudenbosch. Het Rome van Willem Hellemons
Uitgever: Berne Media, uitgeverij Abdij van Berne
Pagina’s: 191 | € 22,90
ISBN: 978 90 8972 276 8

Kathedralen en basilieken

Katholiek Nieuwsblad 19 april 2019

Het begon allemaal in Schiedam. Daar ontdekte hij de basiliek van de H. Liduina en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans. “Ik was stomverbaasd. Voor mijn gevoel was een basiliek een mooie oude kerk in Italië of in Frankrijk, maar niet in Schiedam. Maar dat was tot mijn verbazing is dit wel zo, basilieken in Nederland! En ik merkte dat de meeste mensen niet weten – ook katholieken niet. Dat intrigeerde mij: hoeveel basilieken zijn er, waar staan die en wat betekent dat. Dat ben ik uit gaan zoeken en daar is een boekje uit ontstaan.”

De gepensioneerde arts Kolstee bezocht alle kathedralen en basilieken van Nederland. Vanaf 28 april komt er een bij: de Martinuskerk in Venlo. Hoe wordt een kerk een basiliek? Je kunt daartoe een verzoek indienen in Rome, zo legt hij uit. “In het algemeen is het zo dat je een bijzondere historie moet hebben of een speciale devotie, een relikwie, een bedevaart of processie.” Vaal gaat het initiatief uit van parochianen: het verzoek komt dus weilicht echt van de basis, zo denkt hij.

Aanleiding om de kerk in Venlo tot basiliek te verheffen was het duizendjarig bestaan. “Overigens bestaat de huidige kerk pas vijfhonderd jaar, al is dat ook al een hele tijd. De voorganger was een romaanse kerk en daarvoor stond er een houten kerk, zoals dat vaak gaat. Ten tweede is er de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Genooi. Genooi is een klein gehucht ten noorden van Venlo. Daar staat een kapel die onder de hoede is gekomen van de Martinuskerk. Verder speelde mee dat er in de zeventiende eeuw de Synode van Venlo plaatsvond waarbij Kevelaer als officiële bedevaartsplaats werd erkend.” Overigens hoeft een basiliek op zichzelf niet oud te zijn, merkt Kolstee op. “De jongste basiliek is de Sint-Petrusbasiliek in Boxmeer. Die is pas na de Tweede Wereldoorlog gebouwd, nadat de oude kerk tijdens de oorlog verwoest was. Het gebouw is dus heel jong.” Maar de geschiedenis van deze kerk gaat meer dan duizend jaar terug en de jaarlijkse processie met de reliekschrijn van het H. Bloed waren samen de redenen om de kerk de status van basiliek te geven. “Bolsward heeft sinds kort ook een basiliek en dat is ook een betrekkelijk jonge kerk, zo’n 85 oud. Daar gaat het om Maria van Sevenwouden, een middeleeuws wonderbeeldje.”

Hoe kun je een basiliek herkennen? “Van binnen kun je een basiliek herkennen aan het conopeum en het tintinnabulum, een processiestaf met een belletje. Het conopeum is een baldakijn dat een eresymbool is voor een vorstelijk persoon. In Azië is dat nog gebruikelijk. Een basiliek is eigenlijk een soort ambassade. De paus is daar welkom, zijn baldakijn staat al klaar. Dat is het idee.”

Kolstee heeft alle basilieken van Nederland gezien. Een moeilijke vraag: welke vindt hij de mooiste? “Ik vind de Willibrordusbasiliek in Hulst bijzonder mooi. Het is een echte Vlaamse basiliek met de toren in het midden van de kerk. Het is een middeleeuwse kerk met een moderne toren, want de oude is er tijdens de Tweede Wereldoorlog afgeschoten. Iedereen vond de nieuwe toren verschrikkelijk lelijk, maar ik ben hem gaan waarderen. Hij staat ook op de omslag van mijn boek. Verder vind ik de basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam heel mooi. De kathedrale basiliek van Sint-Bavo in Haarlem is indrukwekkend: op de Sint-Jan in Den Bosch na – de andere kathedrale basiliek – de grootste katholieke kerk van Nederland.”

Kolstee bezocht dus alle basilieken in Nederland, maar hij kwam nogal eens voor een gesloten deur. Dat vindt hij jammer: die kerken maken deel uit van ons religieuze erfgoed. Als onderdeel van ‘Het grootste museum van Nederland’ – een initiatief van het museum Catharijneconvent in Utrecht – zijn de basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam, de kathedraal in Haarlem, de basiliek van O.L.Vrouw Sterre der Zee in Maastricht en de basiliek van de H.H. Agatha en Barbara in Oudenbosch vrijwel dagelijks open. Ze zijn ook voorzien van gidsen en van een audiotour. Komen er in de toekomst nog nieuwe basilieken bij? Kolstee hoorde van twee kandidaten: de Munsterkerk in Roermond en de Sint-Jeroen in Noordwijk. Het is dus afwachten.

Hugo Kolstee, Alle kathedralen en basilieken van Nederland\

Uitgever: Berne Media\

Pagina’s: 288 | € 22,95
ISBN: 978 9089 7211 67

De Beeldenstorm van 1566 als jarenlang proces

Katholiek Nieuwsblad 10 mei 2019

De beeldenstorm van 1566 betekende niet dat alle kerken in een klap waren ontdaan van al hun beelden. Wat er precies gebeurde, verschilde van plaats tot plaats en het duurde soms tientallen jaren of nog langer voordat de kerken die in handen waren gekomen van de protestanten het sobere uiterlijk hadden gekregen dat we nu kennen. Elizabeth den Hartog, als kunsthistorica verbonden aan de Universiteit Leiden, onderzocht hoe met beelden en andere kerkelijke kunstvoorwerpen voor tijdens en na de beeldenstorm werd omgegaan. Toen ze met een aantal collega’s een boek schreef over de Pieterskerk in Leiden viel het haar op dat er weinig te vinden was over de inrichting van de kerk tijdens de Middeleeuwen. Ze hoopte dat de verslagen van de processen die na 1566 tegen de beeldenstormers waren gevoerd, meer informatie zouden opleveren. Maar dat viel tegen. Wat er precies vernield was, bleef onduidelijk. Geïntrigeerd ging ze andere verslagen van beeldenstormen lezen. Daaruit bleek dat de beeldenstorm overal op een andere manier verliep. Op sommige plaatsen werden alle beelden kort en klein geslagen, maar er waren ook kerken die ongeschonden bleven. Hoe er met de beelden werd omgegaan is ook interessant. “Ik kwam een verslag tegen van de beeldenstorm in Brielle waar de rederijkers een proces voerden tegen de beelden. Ze hebben dus meer gedaan dan alleen beelden kapot maken: ze zijn ook voor schut gezet, maar dat proces was wel het raarste wat ik tegenkwam.” Ook curieus is wat ene Willem van Cuylenburg deed. Den Hartog schrijft hoe hij hoogstpersoonlijk het hoofdaltaar van het Kruisbroedersklooster in Acquoy ‘aan gort sloeg’ en de stenen meenam naar zijn kasteel waar hij er een toegangspoort mee bouwde. De poort noemde hij ‘Altaerburch’. “Als kunsthistorica vond ik het vooral interessant wat ze met de beelden deden en waarom. Die beelden waren mijn voornaamste bron van informatie. Je gaat kijken hoe ze kapot zijn gemaakt, waar ze terecht zijn gekomen en wat dat betekent.” Als voorbeeld geeft ze de kerk in Woerden. Daar zijn de beelden terzijde van de kerk begraven waar de kapellen waren. In Doorn daarentegen zijn de beelden in de gangpaden van de kerk begraven, waar de mensen eroverheen liepen. Dat is waarschijnlijk met opzet gedaan. “Je ziet vaak dat protestanten altaarstenen gebruiken als drempels voor de kerk: een vorm van desacralisatie”, aldus Den Hartog. Maar niet overal ging het er zo ruig aan toe, zo benadrukt Den Hartog. In de vloer van de Hooglandse kerk in Leiden is een beeld gevonden van Elia die water en brood krijgt van een engel. Katholieken beschouwen dit als een voorafbeelding van de eucharistie. Het beeld is niet kapotgeslagen, maar het brood en de waterkruik zijn er heel zorgvuldig uitgehakt. Het beeld van de profeet zelf bleef ongeschonden. Zo kon het dus ook gebeuren. Het is zelfs goed denkbaar dat katholieken beelden uit de kerken hebben verwijderd. “Die beeldencultus was een heleboel mensen een doorn in het oog. Het wil niet eens zeggen dat het protestanten waren die het deden. Erasmus had er ook al moeite mee en hij was geen protestant.” De beeldenstorm van 1566 in de Nederlanden was geen unieke gebeurtenis. “Kritiek op het gebruik van beelden is er altijd geweest, ik vind het belangrijk dat dat gezegd wordt. De beeldenstorm van 1566 was niet de eerste. Beeldenstormen zijn van alle tijden, alleen niet op die schaal waarop het in Nederland en België is gebeurd.” Natuurlijk is het zo dat wij de protestantse kerken in Nederland herkennen aan hun sobere interieur, ontdaan van beelden en schilderijen. Maar dat typische interieur is pas heel geleidelijk de norm geworden. “Het is verbazingwekkend hoe lang ze nog bezig zijn om altaren en beelden weg te halen. Het witten van de muren gebeurt vaak nog veel later. Saenredam schilderde die kerken in de zeventiende eeuw. Als je ziet hoe de kerkinterieurs in Utrecht er toen uitzagen denk je: zagen ze er nog maar zo uit. Er zitten dan nog allerlei schilderingen en beelden in. Het is dus echt heel geleidelijk gegaan en het is niet precies te zeggen wanneer.” Historici zijn het er al langer over eens dat de overgang in de Nederlanden van katholiek naar protestant niet van de ene op de ander dag plaatsvond. Het was een geleidelijk proces waarbij het er lange tijd nog naar uitzag dat een hervorming binnen de rooms-katholieke kerk mogelijk was. Elizabeth den Hartog laat zien dat ook de beeldenstorm het interieur van de kerk niet overal in een klap veranderde. Hoe het dan wel ging, wie erbij betrokken waren, wat de motieven waren: dat komt allemaal in haar boek aan de orde.

Elisabeth den Hartog, Een spoor van vernieling. Het Noord-Nederlandse kerkinterieur voor, tijdens en na de Beeldenstorm
Uitgever: Verloren
Pagina’s: 104 | € 15
ISBN: 978 90 8704 773 3

De Sint-Martinuskerk en de Zwarte Madonna van Halle

Katholiek Nieuwsblad 20 september 2019

In een nis in het hoofdportaal van de Sint-Martinusbasiliek in Halle liggen 32 kanonskogels op een hoop. Ze zijn het bewijs van de bescherming die de ‘Zwarte Madonna van Halle’ de stad zou hebben geboden tijdens een belegering in 1489. Het beeld stond op de stadswallen en ving de projectielen op in haar schoot, zo gaat het verhaal. Dat zou ook verklaren waarom het beeld zwart is: dat komt van de kruitdampen. In 1580 zou het beeld Halle opnieuw hebben gered. Toen belegerden protestanten uit Brussel de stad.

Vanouds ligt Halle in een grensgebied: tijdens de Middeleeuwen in Henegouwen aan de grens met het hertogdom Brabant, tegenwoordig in Vlaams-Brabant aan de grens met de Waalse provincie Henegouwen. In 1267 schonk Aleidis van Holland, gravin van Henegouwen, het beeld aan de stad Halle. Ze was een dochter van de Hollandse graaf Floris IV en was een tijdlang regentes van Holland toen de bekende Floris V nog niet volwassen was. Met de schenking wilde ze de positie van Halle aan de grens van haar graafschap versterken. Aleidis had het beeld geërfd van haar grootmoeder, de heilige Elisabeth van Thüringen.

Inderdaad werd Halle dankzij het beeld een aanzienlijke stad. Al in de twaalfde eeuw was het een bedevaartsoord, maar dankzij het beeld nam het aantal pelgrims sterk toe. De toenmalige kerk werd te klein en tussen 1341 en 1409 werd de huidige kerk gebouwd, met een toren die aan het einde van de achttiende eeuw werd voltooid en die daarom een typische barokke bekroning heeft.

De bouw was mogelijk dankzij de schenkingen van talloze pelgrims, maar ook van vooraanstaande vorsten. Uiteraard van de graven van Henegouwen, maar ook van de hertog van Brabant. Resultaat was een kerk die een gaaf voorbeeld is van Brabantse hooggotiek met in het interieur enkele van de mooiste kunstobjecten die in de veertiende eeuw zijn vervaardigd: het hoogkoor met de beelden van de apostelen en een madonnabeeld in het grote zuiderportaal van de kerk.

In de loop van de eeuwen werd de kerk verrijkt met vele kunstwerken. De latere koning Lodewijk XI van Frankrijk schonk in 1460 een monstrans en begroef er zijn zoontje Joachim, dat in 1459 overleed, vier maanden oud. Zijn kleine graftombe bevindt zich in een nis in de kerk. Ook koning Hendrik VIII van Engeland schonk een monstrans. Deze monstransen maken deel uit van een grote verzameling liturgische voorwerpen die samen de kerkschat in de crypte van de kerk vormen. Dit jaar nog ontving de kerk een schenking van een anonieme weldoener: zo’n vijftig beelden, schilderijen, juwelen en andere kunstvoorwerpen ter waarde van een miljoen euro. ‘Door de werken aan de Sint-Martinusbasiliek te schenken, kan ik er zelf ook nog elke zondag van genieten. Door de eeuwen heen is er zoveel ambachtelijke kunde in dit gebouw samengebracht zodat de kunstcollectie hier perfect tot haar recht zal komen. Hopelijk kan mijn schenking ook bijdragen tot een nog hogere artistieke en esthetische omkadering van de erediensten in deze basiliek’, aldus de schenker tegenover de Vlaamse krant Het Nieuwsblad.

Wie alle kostbaarheden van de kerk wil zien, moet zijn bezoek overigens wel goed plannen. De crypte waarin de schatkamer zich bevindt is alleen onder begeleiding te bezoeken. Dat bezoek moet ten minste drie weken tevoren worden aangevraagd. Alleen op Open Monumentendag, in Vlaanderen op 8 september, is de crypte tussen 14.00 en 17 uur zonder afspraak toegankelijk.

Toch leent de kerk zich ook voor een spontaan bezoek. Er is genoeg te zien: beelden, schilderijen, glas-in-loodramen, een rijk versierd sacramentshuisje uit 1409. En dat alles heeft beeldenstormen en oorlogen overleefd. Misschien wel een groter wonder dan het doorstaan van een belegering. Dat maakt deze kerk zo uniek.

This is not a collection

Twee jaar is het museum Parcum in Leuven nu open en voor het eerst geeft het een overzichtstentoonstelling van de eigen collectie. Onder de titel ‘This is not a collection’ toont Parcum zowel objecten van bijzondere kunsthistorische waarde als uitingen van volkscultuur en persoonlijke devotie. Deze zijn afkomstig uit kerken en kloosters in Vlaanderen en Brussel en uit particuliere collecties.

Een bijzondere ontdekking is het schilderij ‘De kruisdraging van Christus’, aan het eind van de zestiende eeuw vervaardigd door Michiel Coxcie (1499–1592) ’de Vlaamse Rafael’. Hij was een van de meest vooraanstaande kunstenaars van zijn tijd. Zowel Karel V als Filips II gaven hem vele opdrachten; Filips benoemde hem zelfs tot hofschilder. Het bestaan van het schilderij kwam aan het licht tijdens een inventarisatie door het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur, het expertisecentrum voor religieus erfgoed in Vlaanderen en Brussel, van het kunstbezit van de paters redemptoristen in Jette (Brussel).

Dit was niet de enige verrassing. Curator Liesbet Kusters stuitte tijdens haar onderzoek ze op een doos en zag tot haar schrik dat deze een vrouwenhoofd bevatte. Het bleek van was te zijn en behoorde bij een reliekbeeld van de H. Clara. De romp is gemaakt van textiel en gips. Hierin bevindt zich de reliekhouder met een stukje van het gebeente van de heilige. Hoofd, handen en voeten van was geven het beeld zijn levensechte uiterlijk. Het beeld heeft waarschijnlijk aangekleed en getooid in een glazen grafkist gelegen in het klooster van de Grauwzusters in Antwerpen waaruit het afkomstig is.

Dergelijke objecten die een rol speelden in het dagelijks leven van religieuzen en leken vormen het leeuwendeel van de tentoonstelling. Soms gaat het ronduit om kitch, maar dat hoort er ook bij, aldus curator Liesbet Kusters. Plastic Mariabeeldjes uit Lourdes worden beschouwd als ‘lage kunst’, “toch vertellen ze in hun authenticiteit ook iets over het aanvoelen van mensen. De diversiteit geeft een mooi beeld van het religieuze leven in Vlaanderen. Iedereen zal wel iets herkennen, zich iets herinneren of een emotie ervaren bij deze objecten.”

Sommige zijn zeldzaam. Bijvoorbeeld een bewegend Jezuskind in een kribbe. Door een opwindmechanisme kan het beeldje de armen bewegen en de ogen openen en sluiten. Ook dit wiegje komt uit een klooster. Tijdens de kerstnacht stond het voor het altaar. De zusters kwamen dan naar voren onder het zingen van kerstliederen en wiegden het kindje. Dat is het verhaal bij dit voorwerp en zo wordt alles wat wordt getoond, voorzien van uitleg en achtergronden. Niet met bijschriften maar met een audioguide. Het gesproken woord is de beste begeleiding bij een tentoonstelling zoals deze. De getoonde voorwerpen komen immers uit een wereld die voor de meeste bezoekers vreemd zal zijn.

Uitleg is zeker nodig bij de moderne kunst die te zien is. Het is geen religieuze kunst, maar het zijn hedendaagse uitingsvormen die een dialoog aangaan met de collectie van het museum. “We doen dat omdat religieus erfgoed over veel meer gaat dan religie. Over lichamelijkheid, menselijke relaties, emoties en vragen die mensen zich altijd hebben gesteld. Ook onze kunstenaars zijn daarmee bezig en zij zetten dan weer het publiek aan het denken. Zo tonen we dat religieus erfgoed een grote relevantie heeft in de superdiverse samenleving vandaag”, aldus Kusters.

Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat tegenover een beeldje van Christus op de Koude Steen van rond 1500 de video ‘KING’ van David Claerbout te zien is. De video is gebaseerd op een foto van Elvis Presley uit 1956. Tergend langzaam tast de projectie het beeld af van de toen 21-jarige Elvis, die slechts gekleed is in een zwembroek. De kijker wordt gedwongen na te denken over deze jongeman, die op het punt staat een ster te worden en later zal bezwijken onder zijn succes. Hier gaat het om de manier van kijken. Er gebeurt niets, maar in het hoofd van de beschouwer speelt zich van alles af. Zo bekeek de monnik ook in zijn kloostercel het beeld van Christus op de Koude Steen om zich in te kunnen leven in zijn lijden en eenzaamheid.

Het werk Courtyard Tales van Berlinde De Bruyckere heeft een meer directe religieuze associatie. Het bestaat uit versleten dekens. De Bruyckere: “Het moment waarop ik besloot de dekens aan de muur te hangen, moest ik meteen denken aan de nagels van het kruis, alsof je een lichaam aan de muur hangt. Het deken werd zo kwetsbaar en fragiel dat het dezelfde kwetsbaarheid vertoonde als dat van een gewond lichaam, maar ook eenzelfde vorm van schoonheid.”

This is not a colletion is nog te zien tot en met 3 november 2019 in Parcum, Abdij van Park in Leuven. www.parcum.be. Geopend van 10:00 tot 17:00 uur, behalve op maandag en op feestdagen.

Dit artikel verscheen ook in het Katholiek Nieuwsblad van 30 augustus 2019.

Een beeld van de rooms-katholieke kerk in Breda tijdens de negentiende en twintigste eeuw

De toren van de Grote Kerk domineert het silhouet van de stad Breda. In 1637 moesten de katholieken de kerk afstaan aan de protestanten. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Sint-Jan in Den Bosch zou de Bredase Grote Kerk nooit meer in roomse handen komen. Tijdens de negentiende eeuw bouwden de Bredase katholieken eigen kerken waarmee ze hun stempel drukten op het aanzien van de stad. Toen de journalist Gerard van Herpen in 1962 in het Dagblad De Stem zijn rubriek ‘De stad rond’ begon, liet hij er als logo het stadssilhouet van Breda bij plaatsen.

We zien links en rechts fabrieksschoorstenen, de flats van de nieuwbouwwijken en de Koepel, toen nog gevangenis. In het midden staat de Grote Kerk met daarnaast drie neogotische katholieke kerkgebouwen: de Barbarakathedraal aan de Haven, de Jozefkerk aan de Oranjesingel en Maria Hemelvaartkerk die aan de Ginnekenstraat stond. En ten slotte — minder prominent — de Antoniuskerk aan de Sint-Janstraat, de tegenwoordige kathedraal van het bisdom Breda.

Barbarakathedraal

De Barbarakathedraal in Breda behoort tot een van de eerste werken van architect Pierre Cuypers. Nadat de kerk in 1869 gereed was gekomen, werd ze zes jaar later tot kathedraal verheven. Ze verving de Antoniuskerk die weer een gewone parochiekerk werd.

De Barbarakathedraal is niet alleen een vroeg werk van Cuypers, het is ook een van zijn grootste: met maar liefst vijf beuken — een unicum in zijn oeuvre — en een hoge kruisingstoren. De twee torens die hij aan de westkant had getekend, zijn er nooit gekomen maar die ene toren die wel gerealiseerd werd, was hoog genoeg om het silhouet van Breda mede te bepalen.

Nieuwe wijken

Zo was dat nog steeds in 1962. Het was een tijd waarin Breda sterk groeide: na 1945 waren de wijken Hoge Vucht, Brabantpark, Heusdenhout, IJpelaar, Overakker, Boeimeer en Heuvel. Het aantal bewoners van de binnenstad liep tegelijkertijd sterk terug: het centrum van de stad werd een winkelcentrum.

In de nieuwe wijken waren ook kerken nodig. Het was in die tijd immers nog vanzelfsprekend dat elke katholiek zondags naar de kerk ging. Er was veel geld nodig voor de bouw van kerken, schreef het Bisdomblad. ‘En dan liefst van KERKEN, niet van godsdienstige garages, waarin goedkoop ook weer duurkoop zou blijken te zijn.’

Ondertussen werden de kerken in de binnenstad gerestaureerd. Allereerst de Antoniuskerk. Dit rijksmonument werd voor veel geld opgeknapt. Ook aan de kathedraal en de Maria Hemelvaartkerk moest het nodige gebeuren. In de jaren vijftig was in deze gebouwen voor enkele honderdduizenden guldens geïnvesteerd. Daarbij werden onder meer de altaren verplaatst, waardoor ze vanuit de kerk beter zichtbaar waren.

Kerkenbouwzondag

Om geld in te zamelen voor nieuwe kerken organiseerden de Nederlandse bisdommen jaarlijks een ‘Kerkenbouwzondag’. Ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1962 beschreef de Rotterdamse bisschop Jansen hoe de moderne kerk eruit zag: vooral laag. Imponeren was uit de tijd, de kerk moest een uitnodigende plaats van samenkomst worden. Een jaar later werd zelfs de vraag gesteld: zijn zelfs die moderne, sobere kerken niet te mooi? Niet noodzakelijk, aldus het bisdomblad. ‘Het zou pastoraal onbarmhartig en dus in de grond ethisch onverantwoord zijn’ om van de parochianen te vragen dat ze in een schuur bijeen zou komen.

In 1963 viel voor het eerst het besluit om een kerk in Breda te sluiten: Maria Hemelvaartkerk. De bevolking van de Bredase binnenstad liep sterk terug en de kosten van restauratie van de kerk beliepen een bedrag waarvoor een nieuwe kerk kon worden neergezet. Dat ging de pastoor van de Maria Hemelvaartkerk dan ook doen: in de nieuwbouwwijk Ruitersbos zou een nieuwe kerk komen. Ook de bouw van de vier andere kerken zou deels bekostigd worden uit de opbrengst van de verkoop van de grond aan het V&D-concern, dat er een nieuw warenhuis zou gaan wegzetten.

Het besluit veroorzaakte veel onrust. In het Dagblad De Stem verschenen vele ingezonden brieven en het bisdom was genoodzaakt zijn besluit nogmaals toe te lichten. Het besluit was na veel wikken en wegen genomen, verzekerde het bisdomblad. De Antoniuskerk kwam als monument niet in aanmerking voor sluiting en de kathedraal natuurlijk helemaal niet. ‘Er is nadrukkelijk geen sprake van, dat de Bisschop overweegt nog een tweede parochiekerk in de binnenstad op te heffen.’

Leegloop

De leegloop van de binnenstad was trouwens geen typisch Breda’s verschijnsel: ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1964 schreef de bisschop van Haarlem dat ook in zijn bisdom, met name in Amsterdam, kerken die hun functie verloren hadden door gebrek aan priesters en gelovigen, moesten verdwijnen. Men moest de moed hebben om afscheid te nemen van gebouwen ‘die plaats dienen te maken voor de onverbiddelijke realiteit van deze stedelijke dynamiek’, schreef de bisschop.

In Breda konden veel gelovigen die moed niet opbrengen. Toen in januari 1965 de sluiting van de Maria Hemelvaartkerk een feit werd, kreeg De Stem weer veel negatieve reacties. Het bisdom herhaalde zijn argumenten nog eens: er waren te veel kerken in de binnenstad van Breda. De Antoniuskerk en de kathedraal kwamen niet in aanmerking voor sluiting omdat deze twee juist gerestaureerd waren. ‘Het zou nu allerdwaast zijn en van kortzichtig beleid getuigen wanneer zou worden besloten de kathedraal af te breken en de Maria Hemelvaart te restaureren’.

Sluiting kathedraal

Maar nog geen drie jaar later, in de zomer van 1967, viel het besluit om de kathedraal te sluiten. Het aantal parochianen was onverwacht snel teruggelopen. De kathedraal werd nauwelijks nog gebruikt. Het was onverantwoord om nog veel geld in deze bouwval te steken.

Op 30 maart 1968 ging mgr. Ernst voor in de sluitingsdienst van de kathedraal. Het bisdomblad ging er uitgebreid op in. De voorpagina bevatte zes foto’s die in detail moesten laten zien hoe slecht het gebouw eraan toe was. En verder werd de keuze voor de nieuwe bisschopskerk, de kerk van de Heilige Michael in een buitenwijk van de stad verklaard.

‘De tijd van het byzantinisme, van triomferende Kerk, van pracht en praal in luisterrijke shows is voorbij, zeker in het Nederlandse katholicisme. Kathedralen worden niet meer gebouwd als eeuwen trotserende monumenten en kerken zijn praktische ruimten geworden, die moeten voldoen aan het kunnen samenzijn van de gelovige gemeente rond de tafel van de Heer. Een bisschop is niet meer een principaal in een klein vorstendommetje en gaat niet meer gekleed in purper van de episcopale discriminatie, maar in het grijze kostuum van de gelijkheid met de broeders in het priesterschap. Het zal misschien ook niet heel lang meer duren, dat hij de gekleurde stropdas draagt van iedere manager en huisvader. Vanuit deze ontwikkeling is het te verklaren, dat er nu, na de sluiting van de Bredase kathedraal, geen kathedraal meer komt, maar een bisschopskerk: de kerk, die de bisschop allereerst wil zien als zijn kerk, waarin hij het gewone volk op een gewone zondag kan bereiken. Een kerk, die zo is gebouwd en ingericht, dat de celebrant midden tussen de mensen kan staan in zijn voorgaan bij de eucharistische samenkomst’.

Geen kathedralen meer

De toenmalige bisschop, mgr. H. Ernst, wilde ‘samen met de pastoor, die geen plebaan zal zijn en nog minder hoogeerwaarde, deze kerk maken tot middelpunt van zijn bisdom. ‘En zeker zal deze nieuwe bisschopskerk haar gewone functie van parochiekerk behouden. Kathedralen zijn niet meer nodig, wel parochiekerken’.

Mgr. Ernst vatte het kerkenbouwbeleid van het bisdom als volgt samen: ‘Een kerk wordt gesloten, een andere wordt opgebouwd. Een kerk wordt opgebouwd daar waar de mensen heengaan. En waar zij wegtrekken wordt er een gesloten. De kerken delen de lotgevallen van de mensen en hun huizen.’

Aan kerkenbouwzondag werd al een paar jaar weinig aandacht meer geschonken in het bisdomblad en in januari 1969 werd voor het eerst de vraag gesteld of het nog wel zin had kerken te bouwen. De ontkerkelijking ging snel: in 1968 was het kerkbezoek tussen januari en oktober met 5 procent teruggelopen. Het leek niet meer verantwoord om overal waar huizen werden gebouwd ook meteen een kerk neer te zetten. Mensen moesten eraan wennen dat ze naar de mis gingen in gymnastieklokalen. Dat gebeurde uiteindelijk niet, maar ook de neogotische Jozefkerk viel in 1972 onder de slopershamer.

Gymnasieklokaal

In 1960 werden de gelovigen nog opgeroepen bij te dragen aan de bouw van fraaie kerken. Je kon toch niet kerken in een garage. Enkele jaren later kwam er al voorzichtig de vraag op of de kerken niet wat soberder konden. De sluiting van de eerste neogotische kerk liet daarna niet lang op zich wachten. En uiteindelijk werd ook het nut van het bouwen van nieuwe kerken betwijfeld. Een gymnastieklokaal was misschien net zo geschikt.

Anno 2001 zijn de meeste kerken die tussen 1955 en 1970 in de nieuwbouwwijken werden gebouwd, alweer gesloopt. De toekomst bleek er toch anders uit te zien dan men in de jaren zestig had gedacht. In de binnenstad werden weer woningen gebouwd, het warenhuis van V&D waarvoor de Maria Hemelvaartkerk moest wijken, zijn er nooit gekomen. Evenmin als de nieuwe Maria Hemelvaartkerk in Ruitersbos.

De kathedraal keerde terug in de binnenstad: de Antoniuskerk, die destijds van sluiting werd gered omdat het een rijksmonument is, verving de ‘bisschopskerk’ in het Brabantpark. Maar het uit het silhouet van de de binnenstad zijn de hoge torens van de katholieke kerken verdwenen.

Bronnen: J.J. Brouwers, ‘Een beeld van de katholieke kerk in Breda. Essay over de recente kerkgeschiedenis’, in: P.H.A.M. Abels e.a. (red.), Van tweeën één. Kerk in West-Brabant door de eeuwen heen (Delft 2001) 257–263.

Jan Brouwers, ‘De verdwenen kathedraal van Cuypers’, in: Katholiek Nieuwsblad, 23 november 2018, 17.

Berichtnavigatie

1 2 3 4 5 6 7
Scroll naar boven